Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

succenderetur fornax septuplum quam succendi consueverat.

20. Et viris fortissimis de exercitu suo jussit ut ligatis pedibus Sidrach, Misach, et Abdenago' mitterent eos in fornacem ignis ardentis.

21. Et conf estim viri illi vincti cum braccis suis, et tiaris, et calceamentis, et vestibus missi sunt in medium fornacis ignis ardentis.

22. Nam jussio regis urgebat: fornax autem succensa erat nimis. Porro viros illos, qui miserant Sidrach, Misach, et Abdenago, interfecit flamma ignis.

23. Viri autem hi tres, id est, Sidrach, Misach, et Abdenago, ceciderunt in medio camino ignis ardentis, colligati.

Quce sequuntur in Hebrceis voluminibus non reperi.

24. Et ambulabant in medio flam-

oven zevenmaal sterker13) zou verhitten, dan men hem te verhitten placht.

20. En aan de sterkste mannen van zijn leger gebood bij, dat zij Sidrach, Misach en Abdenago, de voeten geboeid, zouden werpen in den brandenden vuuroven.

21. En aanstonds werden deze I mannen geboeid en met hunne dij! kleederen en hoofdhulsels en schoeisels en kléederen14) geworpen in het midden van den brandenden vuuroven.

22. Want het bevel des konings was dringend15) ; en de oven was uitermate verhit. Die mannen nu, welke Sidrach, Misach en Abdenago er in geworpen hadden, doodde de vlam des vuurs1B).

23. Deze drie mannen dan, te weten Sidrach, Misach en Abdenago, vielen geboeid in het midden van den brandenden vuuroven.

Wat volgt heb ik in de Hebreeuwsche boekrollen niet gevonden1,1).

24. En zij wandelden in het mid-

») d. i. Zoo fel mogelijk. Vgl. Lev. XXVI 18, 21, 24.

") De ware beteekenis der m den grondtekst genoemde kleedingstukken was, blijkens de vertaling der Septuagint, reeds vroeg verloren gegaan. Volgens Herodotus (I 195) droegen de Babyloniërs een linnen lijfrok, die tot de voeten reikte, en boven dezen een lijfrok van wol en als bovenkleed een kleinen witten mantel.

") Daarom werden zij tegen de gewoonte niet eerst ontkleed. Doch het wonder zou hierdoor des te duidelijker worden; zie v. 94. '

16) Bij Theodotion staat dit bericht omtrent den dood der beulsknechten niet hier, doch in v. 46—48, waar het ook beter op zijne plaats is. Het is wellicht in den Massoretischen tekst, die v. 24—90 weglaat, hier bijgevoegd. De Vulgaat, die dezen tekst en van v. 24 af Theodotion volgt, heeft nu dit bericht andermaal in v. 48.

1T) Met de Hebreeuwsche boekrollen bedoelt de H. Hiëronymus den toenmaligen grondtekst, waarin v. 24—90

ontbreekt en achter v. 23 onmiddellijk volgt, wat het Grieksch en de Vulgaat in v. 91 volg. hebben. Doch duidelijk geeft dit eene leemte in het verhaal. Want in v. 23 wordt verhaald, dat de drie mannen geboeid in den brandenden vuuroven vielen. Hierop volgt dan 's konings verbazing (zie Vuig. v. 91 volg.), omdat hij vier mannen in plaats van drie, en wel ongeboeid en ongedeerd in den oven ziet wandelen, zonder dat vooraf gezegd is, dat een engel bij hen in den vuuroven was neergedaald en dat zij aldaar ongedeerd bleven en God loofden. Dit alles nu wordt aangevuld door de Septuagint en door de Grieksche vertaling van Theodotion. Na v. 90 teekent de H. Hiëronymus aan, dat hij v. 24—90 uit deze laatste vertaling heeft overgezet Zie verder voor de echtheid en het canoniek gezag van deze deutero-canonieke verzen de inleiding. — In de Septuagint (Ood. Vatic.) staat vóór v. 24 het opschrift: «Gebed van Azarias en lofzang der drie» Judeërs.

Sluiten