Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mae laudantes Deum, et benedicentes Domino.

25. Stans autem Azarias oravit sic, aperiensque os suum in medio ignis, ait:

26. Benedictus es Domine Deus patrum nostrorum, et laudabile, et gloriosum nomen tuum in saecula:

27. Quia justus es in omnibus, quae fecisti nobis, et universa opera tua vera, et viae tuae rectae, et omnia judicia tua vera.

28. Judicia enim vera fecisti juxta omnia, quae induxisti super nos, et super civitatem sanctam patrum nostrorum Jerusalem: quia in veritate, et in judicio induxisti omnia haec propter peccata nostra.

29. Peccavimus enim, et inique egimus recedentes a te: et deliquimus in omnibus:

80. Et praecepta tua non audivimus,

") Hunne boeien waren reeds aanstonds door het vuur verteerd.

") Hoogstwaarschijnlijk bad Azarias in het Hebreeuwsch, zijne moedertaal, waarin hij had leeren bidden, in de heilige taal van den Pentateuch en van de Psalmen, aan welke boeken de gedachten en de uitdrukkingen ontleend zijn. Waarschijnlijk is dus het Hebreeuwsch de grondtekst van dit gebed en van den daarop volgenden lofzang. Ook zijn in v. 25, 49, 88 niet de Babylonische, maar de Hebreeuwsche namen der gezellen van Daniël genoemd. — De inhoud van het volgende gebed (v. 26—45) past goed op de omstandigheden, waarin de drie Judeërs zich bevonden. Zij hadden geweigerd hulde te brengen aan den god van Nabuchodonosor, die door de inwijding van het standbeeld de zegepraal van zijnen god over de goden der overwonnen volken wilde vieren. Naar v. 38 en den Griekschen tekst van v. 1 (zie noot 1) was Jerusalem gevallen en ook Jehova werd dus tot de overwonnen goden gerekend. De wonderbare redding nu der Judeërs bewees integendeel de almacht van Jehova, die Babyion oppermachtig gemaakt had om zijn volk te tuchtigen. Daarom prijst

den der vlam18), God lovend en den Heer zegenend.

25. Azarias nu bad staande aldus, en zijnen mond openend in het midden des vuurs, sprak hij19):

26. Gezegend zijt Gij, Heer, God onzer vaderen, en lofwaardig en heerlijk is uw naam in eeuwigheid!

27. Want rechtvaardig zijt Gij in alles, wat Gij gedaan hebt aan ons; en al uwe werken zijn waar, en uwe wegen zijn recht, en al uwe gerichten zijn waar*0).

28. Ware gerichten11) toch hebt Gij gehouden in alles, wat Gij gebracht hebt over ons en over de heilige stad onzer vaderen, Jerusalem**) ; omdat Gij in waarheid en in gerechtigheid dat alles over ons gebracht hebt om onze zonden.

29. Want wij hebben gezondigd en slecht gehandeld met van U af te wijken, en wij hebben misdreven in alles;

30. en naar uwe geboden hebben

Azarias Gods rechtvaardigheid in de straffen, welke over zijn volk waren gekomen; hij bidt Hem, om wille van zijn verbond en om de eer van zijnen naam, zich over zijn volk te ontfermen en deszelfs trotsche overheerschers te vernederen. Overigens is dit gebed waarschijnlijk niet toen voor het eerst door Azarias opgesteld, doch werd deze nederige belijdenis van schuld en deze bede om ontferming door de vrome ballingen dikwerf herhaald. — Naar de Septuag. bad Azarias te zamen met zijne gezellen.

**) Gods werken zijn waar, d. i. overeenkomstig de waarheid, of zóó gelijk zij moeten zijn om aan hun doel te beantwoorden; vgl. Deut XXXII 4. Dit geldt inzonderheid van Gods wegen, d. i. zijne handelwijze tegenover zijn volk, of zijne gerichten, die waar, d. i. rechtvaardig, zijn, zooals in v. 28 verklaard wordt. Vgl. Ps. CXVIII 137, 151; CXLIV 17.

") In het Grieksch staat de Hebr. uitdrukking: «gerichten der waarheid», gelijk in het Hebr. van Ez. XVIII 8 en Zach. VII 9.

") Uit deze woorden, vgl. met v. 38, volgt, dat Jerusalem toen verwoest was.

Sluiten