Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nee observavimus, nee fecimus sieut praeceper as nobis ut bene nobis esset.

31. Omnia ergo, quae induxisti super nos, et universa, quae fecisti nobis, in vero judicio fecisti.

32. Et tradidisti nos in manibus inimicorum nostrorum iniquorum, et pessimorum, prae var icatorumque et regi injusto, et pessimo ultra omnem terram.

33. Et nunc non possumus aperire os: conf usio, et opprobrium facti sumus servis tuis, et his, qui colunt te.

34. Ne, quaesumus, tradas nos in perpetuum propter nomen tuum, et ne dissipes testamentum tuum.

35. Neque auferas misericordiam tuam a nobis propter Abraham dilectum tuum, et Isaac servum tuum, et Israël sanctum tuum:

36. Quibus locutus es pollicens quod multiplic ares semen eorum sicut stellas cceli, et sicut arenam, quae est in littore maris:

37. Quia Domine imminuti sumus

") Vgl. Bar. II 5, 8, 10 12.

") Door het Grieksche »apostatón» (eigenlijk «afvalligen») vertaalt de Septuag. meermalen (vgl. Num. XIV 9» Jos. XXII19) het Hebr. «marad», waarmede hier de «weerspannige» heidenen zijn aangeduid.

K) Ondanks de gunsten, welke de Judeërs, inzonderheid Azarias met de zijnen, van Nabuchodonosor ontvangen hadden, bleef deze koning in hun oog ongerechtig en boos boven allen, om het kwaad, dat hij, meer dan wie ook, over Juda en Jerusalem gebracht had.

M) Om te klagen, deels uit vrees voor de vijanden (vgL Ez. XXIV 21—23), deels uit schaamte over de zonden des volks; vgl. Ez. XVI 54.

") Omdat onze schande, d. i. onze schandelijke straf, terugvalt op uwe dienaren, onze volksgenooten, die om onzentwü door de heidenen beschimpt

wij niet gehoord en ze niet onderhouden; en wij hebben niet gedaan, gelijk Gij ons geboden hadt, opdat net ons wel gaan zou*3).

31. Alles dan, wat Gij gebracht hebt over ons, en alles wat Gij gedaan hebt aan ons, hebt Gij in ware gerechtigheid gedaan;

32. en Gij hebt ons overgeleverd in de handen van onze vijanden, van wetschenders en van boosdoeners en van overtreders*4), en aan eenen koning, ongerechtig eu allerboost boven de geheele aarde*5).

33. En thans kunnen wij den mond niet openen*3); schande en schimp zijn wij geworden voor uwe dienaren en voor hen, die U vereeren*7).

34. Geef ons, bidden wij, niet prijs voor immer, om wille van uwen naam, en vernietig uw verbond niet*8).

35. Eo onttrek uwe barmhartigheid niet aan ons, om Abraham uwen welbeminde, en om Isaac, uwen dienstknecht, en om Israël, uwen heilige*9),

36. aan wie Gij gezegd en beloofd hebt, dat Gij hun zaad zoudt vermenigvuldigen als de sterren des hemels en als het zand, dat ligt aan den oever der zee.

37. Want, Heer, wij zijn gering

worden. Beter naar den Codex Alexandrinus, de Septuag. en de Itala: «smaad en schimp is ten deel gevallen aan uwe dienaren en aan hen, die U vereeren». Vgl. Jer. XXIII40; XXIV 9 enz.

2S) Om wille van uwen naam, zie Is. XLVIH noot 12. Het verbond vernietigen of ijdel maken is eene Hebreeuwsche uitdrukking, welke de Grieksche tekst in Gen. XVII 14 en Lev. XXVI 44 en Deut. XXXI 16 op dezelfde wijze als hier vertaald heeft.

™) Zie voor Abraham, Gods welbeminde, II Par. XX 7 en Is. XLI 8. Israël is de eernaam van den aartsvader Jacob (zie Gen. XXXII 28), de heilige geheeten om zijne toewijding aan God en zijne beproefde getrouwheid. Zie voor de in v. 86 uitgesproken belofte Gen. XV 5 en XXII 17.

Sluiten