Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

CAPUT IV. HOOFDSTUK IV.

Brief van Nabuchodonosor betreffende zijnen waanzin: de droom (v. 1—15), deszelfs verklaring door Daniël (v. 16—24), de waanzin des konings en zijne genezing (v. 25—34),

1. Ego Nabuchodonosor quietus eram in domo mea, et Dorens in palatio meo:

2. Somnium vidi, quod perterruit me: et cogitationes mess in strato meo, et visiones capitis mei conturbaverunt me.

3. Et per me propositum est decretum nt introducerentur in conspectu meo cuncti sapientes Babylonis, et ut solutionem somnii indicarent mibi.

4. Tune egrediebantur arioli, magi, Chaldaei, et aruspices, et somnium narravi in conspectu eorum: et solutionem ejus non indicaverunt mibi:

5. Donec collega ingressus est in conspectu meo Daniël, cui nomen

v Baltassar secundum nomen dei mei, qui habet spiritum deorum sancto-

zeggen; zie IV noot 81. In zijne opschriften prijst Nabuchodonosor op eene dergelijke wijze zijne godenMarduken Nabo. — In de Septuagint ontbreken de verzen 98—100 en wijkt de tekst der drie volgende hoofdstukken zoozeer af, dat bijna geen enkel vers met de Vulgaat overeenstemt.

*) De hier verhaalde gebeurtenis had waarschijnlijk plaats op het laatst (naar de Septuagint in het achttiende jaar) der regeering van Nabuchodonosor. Want de koning genoot vrede en voorspoed (v. 1) en had zijne groote bouwwerken in Babyion voleindigd (v. 26 volg.). Hiermede nu was hij, naar het getuigenis zijner opschriften, begonnen na het einde zijner krijgstochten. — Na den aanhef in IH 98—100, waarin de koning het doel van zijn schrijven heeft uitgedrukt, volgt in v. 1—15 het verhaal van zijnen droom. Bloeiend of in voorspoed en welvaart,

1. Ik, Nabuchodonosor, ik was rustig in mijn huis en bloeiend in mijn paleis1).

2. Dx zag eenen droom, die mij verschrikte; en mijne gedachten op mijn leger en de gezichten van mijn hoofd2) ontstelden mij.

3. En van mij ging een bevel uit, dat men al de wijzen van Babyion voor mijn aangezicht zou brengen en dat zij mij de verklaring van den droom zouden doen kennen.

4. Toen kwamen de waarzeggers, do magiërs, de Chaldeën en de wichelaars8); en ik verhaalde den droom in hun bijzijn; en de verklaring daarvan deden zij mij niet kennen,

5. totdat een ambtgenoot4) voor mijn aangezicht optrad, Daniël, naar den naam van mijnen god Baltassar geheeten, die den geest

Aram. «groenend», eene zinspeling op den boom van v. 8, 9. De rust en welvaart, welke de koning na al zijne overwinningen genoot, maakte hem hoogmoedig (v. 27); zijn hoogmoed was de oorzaak zijner diepe vernedering (v. 28—30), welke hem door God in eenen droom was aangekondigd.

*) Zie II noot 29. De ongewone schrik en de ontsteltenis deden hem vermoeden, dat het geen gewone droom was, doch eene goddelijke openbaring.

*) Zie II noot 4 en 27.

*) Een ambtgenoot der «wijzen». Naar de Arameesche tekstlezing: «totdat eindelijk», naar de randlezing en eenige Grieksche handschriften: «totdat een ander». In plaats van het Gr. «heteros» las de H. Hiëronymus «hetairos», dat collega, ambtgenoot, beteekent. — Hoewel de koning Daniël's wijsheid reeds ondervonden had, riep hij hem eerst nu en niet van het begin af met de overige «wijzen»; zie de waarschijnlijke reden II noot 15.

Sluiten