Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31. Igitur post finem dierum ego Nabuchodonosor oculos meos ad ccelum levavi, et sensus meus redditus est mihi: et Altissimo benedixi, et viventem in sempiternum laudavi, et glorificavi: quia potestas ejus potestas sempiterna, et regnum ejus in generationem et generationem.

Supra 111 1VU. mrra x*.

32. Et omnes habitatores terra? apud eum in nihilum reputati sunt: juxta voluntatem enim suam facit tam in virtutibus cceli quam in habitatöri*; bus terras: et non est qui resistat manui ejus, et dicat ei: Quare fecisti ?

33. In ipso tempore sensus meus reversus est ad me, et ad honorem regni mei, decoremque perveni: et figura mea reversa est ad me: et optimates mei, et magistratus mei requisierunt me, et in regno meo restitutus sum: et magnificentia amplior addita est mihi.

34. Nunc igitur ego Nabuchodonosor laudo, et magnifico et glorifico regem cceli: quia omnia opera

31. Na het einde dan der dagen sloeg ik, Nabuchodonosor, mijne oogen op naar den hemel; en mijn verstand werd mij teruggegeven*8); en ik zegende den Allerhoogste en prees en verheerlijkte den eeuwig levende; omdat zijne macht is een altijddurende macht en zijne heer¬

schappij is van gesiaeiik vu* geslacht*9). a _

32. En al de oewoners aer aarue ■amr-Aan hn H«m als niets srerekend;

want Hij doet naar zijnen wil zoo¬

wel met de neericracnien aes uemei» als met de bewoners der aarde; en niemand is er, die weerstaat aan zijne hand80) en tot Hem zegt: Waarom hebt Gij het gedaan?

33. Terzelfder tijd keerde mijn verstand tot mq terug, en ik kwam weder tot de eer en den luister van mqn koninkrqk, en mijne gedaante keerde tot mij terug81); en mijne rijksgrooten en mijne landvoogden zochten mij weder, en ik werd in mijn koninkrijk hersteld; en grootere heerlijkheid werd mij toegevoegd. , .

34. Nu derhalve loof en verhef en verheerlijk ik, Nabuchodonosor, den Koning des hemels; want al zijne

ten noemt Neriglissor zqnen vader Belzikir-uskum koning, hoewel voor hem op de lijst der Chaldeeuwsche koningen geene plaats is. Vgl. Jer. XXXIX 8,13, Slwaar Nergal-snr-ussur, vermoedelijk dezelfde als Neriglissor, «rabmag», d. i (waarschijnlijk) overste der wijzen, wordt geheeten; wellicht was deze zijnen vader in die waardigheidppgevolgd, alvorens den troon te bestijgen.

») Van hier af tot v. 34 spreekt weder de koning tot ^ne onderdanen Na het einde der door God bepaalde dagen; zie v. 13. De zin kan zijn: ik sloeg (smeekend en mn vernederend) mqne oogen ten hemel, nadat mnn verstand mij was teruggegeven Doch ook te voren kon hq zich m heldere oogenblikken zijnen toestand bewust zijn geweest en, over de oorzaak daarvan nadenkend, tot inkeer zqn gekomen. , „_ ") Zie III noot 60. »°) Arameesch: «niemand, die Hem

op de hand kan slaan», d. ï. Hem in znne plannen kan verliinderen. — Met dergelijke lofprijzingen verheft Nabuchodonosor ook in zijne opschriften zijne goden Marduk en Nabo. Daar sommige uitdrukkingen van dezen brief aan de H. Geschriften van Israël schijIZ Jnüeend (vgl. III100..«TV31 met Ps CXLIV 13; vooral IV 32 met Is. XL 17 en XLHI13), meenen sommigen, dat Daniël zelf hem heeft opgesteld. Doch andere uitdrukkingen, als IV ö, 6. veronderstellen eerder een heidenséhen schrijver, Wellicht heeft deze den profeet Daniël geraadpleegd om in

gepaste Dewuuiuui8™

God te kunnen spreken. ■

n\ Aram.: «en tot eer van naqni koninkrijk keerde mijne heerlqkheid en mijn luister tot nüj terug». Niet de uiterlijke gedaante van een mensCh, maar den luister van zijne komnkujke waardigheid had hij verloren.

ï

Sluiten