Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. Et de cornibus decem, quae habebat in capite: et de alio, quod ortum fuerat, ante quod ceciderant tria cornua: et de cornu Ulo, quod habebat oculos, et os loquens grandia, et majus erat ceteris.

21. Aspiciebam, et ecce cornu illud faciebat bellum adversus sanctos, et praevalebat eis, Apoc. XI 7.

22. Donec venit antiquus dierum, et judicium dedit sanctis Excelsi, et tempus advenit, et regnum obtinuerunt sancti.

23. Et sic ait: Bestia quarta, regnum quartum erit in terra, quod majus erit omnibus regnis, et devorabit universam terram, et conculcabit, et comminuet eam.

24. Porro cornua decem ipsius regni, decem reges erunt: et alius consurget post eos, et ipse potentior erit prioribus, et tres reges humiliabit.

") Bedoeld is hiermede de «kleine hoorn» van v. 8, die, aanvankelijk kleiner, de tien andere weldra in grootte overtrof.

") De profeet vat in v. 21, 22 samen wat hij in v. 11—14 gezien had en vraagt vooral hieromtrent eene nadere verklaring. De door dien kleinen hoorn beteekende macht had gedurende eenigen tijd de overhand op de heiligen, d. i. op de getrouwe dienaren Gods (vgl. Apoc. XI 7 en XIII 7), totdat enz.; zie v. 13, 14, 18; vgl. Apoc. XII 7—12 en XIX 17-21.

*') Aram.: «dat verschillend zal zijn van» enz.

,s) Aram.: «Voorts de tien hoornen (beteekenen): uit (of na) het (vierde) rijk zullen er tien koningen (of koninkrijken) zijn* en een andere (hoorn) zal na hen opkomen, en hij zal van de vorige verschillend zijn, en drie koningen zal hij vernederen». — Het rijk, dat door het vierde dier wordt beteekend, is niet het Macedonisch-Grieksche rijk. Dit volgt uit de noten 8 en 9. Nog duidelijker blijkt dit uit hetgeen de profetie hier zegt van de tien hoornen.

20. en aangaande de tien hoornen, die het op den kop droeg; en aangaande den anderen, die was opgekomen, voor welken drie hoornen gevallen waren; en aangaande dien hoorn, welke oogen had en eenen mond, die groote dingen sprak, en welke grooter was dan de overige23).

21. Ik zag, en zie, die hoorn voerde krijg tegen de heiligen en had de overhand op hen,

22. totdat de oude van dagen kwam en recht schafte aan de heiligen des Allerhoogsten, en de tijd aanbrak en de heiligen de heerschappij bekwamen2*).

23. En aldus sprak hij: Het vierde dier, het vierde rijk zal het op aarde zijn, dat grooter zijn zal dan25) alle rijken en de geheele aarde zal verslinden en haar vertreden en vermorzelen.

24. Voorts de tien hoornen van dit rijk: tien koningen zullen er zijn; en een andere zal na hen opkomen; en deze zal machtiger zijn dan de vorige, en drie koningen zal hij vernederen28).

waarmede het vierde dier optrad. Zij stonden alle te gelijk op den kop van het dier en volgden niet de eene op den anderen. De beteekenis hiervan zoekt men vergeefs in net Macedonisch-Grieksche rijk. Want de veldheeren, die zich onmiddellijk na den dood van Alexander te gelijk als koningen opwierpen, zijn niet tien, doch naar de oude geschiedschrijvers (b. v. Justinus hist. XIII 4) niet minder dan dertig in getal. En eenige jaren later ontstonden uit de beroeringen en oorlogen niet tien, maar vier rijken. Tien op elkander volgende koningen in een van deze laatste vier rijken kunnen evenmin bedoeld zijn, want de tien hoornen stonden gelijktijdig op den kop van het dier. Is bijgevolg het Grieksch-Macedonische rijk hier niet beteekend, dan kan ook de andere hoorn, die na hen, d. i. na de tien. opkomt en toch met hen gelijktijdig is, daar hij drie dezer hoornen verbreekt, niet het zinnebeeld zijn van Antiochus Epiphanes. Want de kleine hoorn behoort aan het vierde dier, de laatstgenoemde koning echter is uit het Seleucidische rijk, een der vier, waarin

Sluiten