Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Et sermones contra Excelsum loquetur et sanctos Altissimi conteret: et putabit quod possit mutare tempora, et leges, et tradentur in manu ejus usque ad tempus, et tempora, et dimidium temporis.

het rijk van Alexander, het derde der Vier wereldrijken, gesplitst werd (zie noot 9). In het volgende hoofdstuk (VIII 9 volg.) wordt Antiochus Epiphanes eveneens door den «kleinen hoorn» beteekend, doch deze «kleine hoorn» is geheel verschillend van den kleinen hoorn, waarvan in dit hoofdstuk VII sprake is; zie VIH noot 28. — Volgens de overlevering beteekent het vierde dier het Romeinsche rijk, dat om zijne gewichtige plaats in de wereldgeschiedenis, vooral om zijne verhouding tot het Rijk Gods, zoowel in II 40—43 als in dit gezicht, uitvoeriger beschreven en hier (v. 23) door den engel afzonderlijk verklaard wordt. Op beide plaatsen wordt vooral de nadruk gelegd (zie II noot 43 en hierboven noot 10) op de wereldveroverende en alles overwinnende kracht, welke inderdaad het Romeinsche rijk kenmerkte. Hierna gaat de profetie, zonder acht te geven op de historische opvolging der tijden, welke in een profetisch gezicht gewoonlijk niet in aanmerking komt, in v. 24 onmiddellijk over tot de tien gelijktijdige koningen Of koninkrijken, die uit of na het vierde rijk zullen zijn, en tot den kleinen hoorn, die na hen zal opkomen en te gelijk met hen zal heerschen. Deze hoorn, de kleine hoorn van v. 8, die uit het midden der tien hoornen opkomt en, naar v. 24, met deze gelijktijdig is, beteekent het rijk van den Antichrist. Dit blijkt duidelijk uit v. 25; zie noot 27. Daarom behooren ook de tien koningen of rijken, die met den kleinen hoorn gelijktijdig zijn, tot de laatste tijden. Beide komen op uit of na het vierde rijk, om het logisch verband waarin zij tot dit rijk staan, als openbaringen van een en denzelfden anti-christelijken geest. Het vierde rijk is voor den profeet het type van alle God weerstrevende macht. Metterdaad heeft de anti-christelijke macht zich in geen ander rijk in zulk eene mate geopenbaard. Herinneren wij ons

VI

25. En hij zal woorden tegen den Allerhoogste spreken en de heiligen des Allerhoogsten verdrukken; en hij zal wanen, dat hij tijden en wetten kan veranderen; en zij zullen in zijne hand gegeven worden voor een tijd en tijden en een halven tijd").

slechts de geschiedenis der vervolgingen, welke de Kerk gedurende bijna drie eeuwen van het Romeinsche rijk te lijden had. Daarom vertegenwoordigt dit wereldrijk de anti-christelijke macht van alle volgende eeuwen. Deze zal zich aan het einde der tijden openbaren in de tien rijken, welke naar Apoc. XVII 12—14 «zullen strijden met het Lam», en zij zal haar toppunt bereiken in den door den kleinen hoorn verzinlijkten Antichrist. Welke nu de tien bedoelde koningen of rijken zullen zijn, in welken zin het tiental moet genomen worden, en op wat wijze de Antichrist drie van hen zal ten onder brengen, dit alles behoort tot het duistere gebied der toekomst en blijft voor ons nog verborgen.

") Zie v. 8, 11 en 21. In II Thess. II 3—10 wordt zakelijk hetzelfde van den Antichrist aangekondigd en op een zelfde wijze zijn grenzenlooze hoogmoed en zijn uiteinde beschreven. Vgl. ook Apoc. XIII 3—8; XIX 20 en XX 9. Tijden, Aram.: «zimnin», beteekenen de heilige feesttijden; wetten zijn die betreffende den heiligen eeredienst. Zij, d. i. de heiligen, zullen in zijne hand, d. i. in zijne macht, gegeven worden door Gods toelating, tot den tijd, die in geheimzinnige woorden wordt aangekondigd: voor een tijd en tijden (d. i. naar de meesten, twee tijden) en een halven tijd. Volgens den H. Ephrem, den H. Hiëronymus en de gewone verklaring, beteekent tijd (Aram.: «iddaan») een jaar, zoodat de verdrukking van den Antichrist drie en een half jaar zal duren, overeenkomstig de «twee en veertig maanden» van Apoc. XIII 5; vgl. Apoc. XI 2 en XII 6. Doch zoowel in het boek der Openbaring, eveneens een profetisch gezicht, als hier kunnen de getallen eene zinnebeeldige waarde hebben en eenen in Gods raad bepaalden tijd van niet langen duur aanduiden. Vgl. Dan. IV 13 en VII 12.

54

Sluiten