Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Et posui faciem meam ad Dominum Deum meum rogare et deprecari in jejuniis, sacco, et cinere.

4. Et oravi Dominum Deum meum, et confessus sum, et dixi: Obsecro Domine Deus magne et terribilis, custodiens pactum, et misericordiam diligentibus te, et custodientibus mandata tua. 77 Esdr. I 5.

5. Peccavimus, iniquitatem f ecimus, impie egimus, et recessimus: et declinavimus a mandatis tuis, ac judiciis. Bar. 117.

6. Non obedivimus servis tuis prophetis, qui locuti sunt in nomine tuo regibus nostris, principibus nostris, patribus nostris, omnique populo terrae.

7. Tibi Domine justitia: nobis autem confusio faciei, sicut est hodie viro Juda, et habitatoribus Jerusalem, et omni Israël, his qui prope sunt, et his qui procul in universis terris, ad quas ejecisti eos propter iniquitates eorum, in quibus peccaverunt in te.

XXIX 10) het tijdperk aanbreken, waarop God zijn «goed woord» betreffende de herstelling van zijn volk zal gestand doen. In het eerste jaar van Darius zou dit tijdperk weldra in vervulling gaan. Want dewijl' een koning uit het geslacht der Meden gebood, Hebr. «koning was gemaakt», over het rijk der Chaldeën,w&s derhalve Gods straffende bezoeking over Babylon reeds begonnen. — Wie hier bedoeld is door Darius, den zoon van Assuerus, Hebr.: «van Achasjverösi», kan men nauwelijks gissen. Mogelijk is door de afschrijvers «Darius» gesteld in de plaats van «Cyrus» en «Achasjverósj», in de plaats van «Achaemenes», van wien Cyrus afstamde; dat deze van Medischen bloede was, kan noch bevestigd noch ontkend worden. Sommigen gissen, dat de Meed Bardia (523) bedoeld is (zie VI noot 1). Volgens Zach. I 12 werd zeventig jaren na de verwoesting van

3. En ik richtte mijn aangezicht tot den Heer, mijnen God, om te bidden en te smeeken in vasten, in zak en asch2).

4. En ik bad den Heer, mijnen God, en ik deed belijdenis en sprak3): Dc smeek, Heer, groote en ontzaglijke God, die het verbond en de goedertierenheid handhaaft jegens hen, die U liefhebben en uwe geboden onderhouden4)!

5. Wij hebben gezondigd, ongerechtigheid bedreven, goddeloos gehandeld; en wij zijn afvallig geworden en afgeweken van uwe geboden en rechten.

6. Wij hebben niet gehoorzaamd aan uwe dienstknechten, de profeten, die in uwen naam gesproken hebben tot onze koningen, tot onze vorsten, tot onze vaderen en tot al het volk des lands.

7. U, o Heer, is de gerechtigheid, ons echter de beschaming des aangezichts, gelijk het is ten huidigen dage met de manschap van Juda en met de bewoners van Jerusalem en met geheel Israël, met hen, die nabij zijn, en met ben, die verre zijn in al de landen, werwaarts Gij hen verdreven hebt om hunne ongerechtigheden, waarmede zij gezondigd hebben tegen U.

Jerusalem (in 587) door de Chaldeën eene meer volledige herstelling van het Rijk Gods verwacht.

*) Hoewel de profeet niet twijfelde aan Gods getrouwheid, bad hij toch om ontferming en deed hij boete als vertegenwoordiger van zijn schuldig volk. Zie Jer. XXIX 12—14, waar God dit van zijn volk verwacht en als voorwaarde stelt voor de herstelling. Vgl. Jer. XVIII 7—8 en Ez. XXXIII 14 volg.

*) Het gebed begint (v. 4—14) met eene belijdenis der zonden van het volk en herhaalt de gedachten, uitgedrukt in Bar. I 15—11 10. Zie Bar. I noot 20.

4) Vgl. voor den aanhef Deut. VII 9, 21 en III Reg. VIII 23. Het verbond en de goedertierenheid beteekent de krachtens het verbond beloofde genade.

Sluiten