Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nomen secundum diem hanc: peccavimus, iniquitatem feoimus Bar. II 11; Exod. XIV 22, 30.

16. Domine in omnem justitiam tuam: avertatur obsecro ira tua, et furor tuus a civitate tua Jerusalem, et monte sancto tuo. Propter peccata enim nostra, et iniquitates patrum nostrorum, Jerusalem, et populus tuus in opprobrium sunt omnibus per circuitum nostrum

17. Nunc ergo exaudi Deus noster orationem servi tui, et precesejus: et ostende faciem tuam super sanctuarium tuum, quod desertum est, propter temetipsum.

18. Inclina Deus meus aurem tuam, et audi: aperi oculos tuos, et vide desolationem nostram, et civitatem, super quam invocatum est nomen tuum: neque enim in justificationibus nostris prosternimus preces ante faciem tuam, sed in miserationibus tuis multis.

19. Exaudi Domine, placare Domine: attende et fac: ne moreris propter temetipsum Deus meus: quia nomen tuum invocatum est super civitatem, et super populum tuum.

20. Cumque adhuc loquerer, et orarem, et confiterer peccata mea, et peccata populi mei Israël, et prosternerem preces meas in conspectu Dei mei, pro monte sancto Dei mei:

21. Adhuc me loquente in oratione, ecce vir Gabriël, quem videram in visione a principio, cito volans tetigit me in tempore sacrificii vesper tini. Supra VIII16.

10) Zie voor de woordvoeging in het Hebr. Bar. II noot 12.

") Zie Bar. II 14 volg.

") Zie Bar. II noot 14.

") De man Gabriël (zie VIII noot 16 en 17), dien ik bij den aanvang,

U eenen naam gemaakt hebt, gelijk het is ten huidigen dage — wij hebben gezondigd, wij hebben ongerechtigheid bedreven,

16. o Heer, tegen al uwe gerechtigheid ! Moge, bid ik, uwe gramschap en uwe verbolgenheid zich afwenden10) van uwe stad Jerusalem en van uwen heiligen berg! Want om onze zonden en de ongerechtigheden onzer vaderen zijn Jerusalem en uw volk tot een smaad voor allen, die rondom ons zijn.

17. Nu dan, onze God, verhoor het gebed van uwen dienstknecht en zijne smeekingen, en toon uw gelaat over uw heiligdom, dat verwoest is, om uwentwil11).

18. Neig, mijn God, uw oor en hoor, open uwe oogen en zie onze verwoesting en de stad, waarover uw naam is uitgeroepen; want niet om onze gerechte werken leggen wij de gebeden neder voor uw aangezicht, maar om uwe vele barmhartigheden.

19. Verhoor, Heer, vergeef, Heer, geef acht en doe! Draai niet, om uwentwil, mijn God; want uw naam is uitgeroepen over de stad en over uw volk12).

20. En terwijl ik nog sprak en bad en mijne zonden en de zonden van mijn volk Israël beleed en mijne gebeden voor het aangezicht van mijnen God nederlegde ter gunste van den heiligen berg van mijnen God;

21. terwijl ik nog sprak in het gebed, zie, daar kwam de man Gabriël, dien ik in het gezicht bij den aanvang gezien had, ijlings aangevlogen, en hij raakte mij aan ten tijde van het avondoffer18).

Hebr.: «te voren», te weten in het gezicht van VIII 16 volg., gezien had. Dezelfde engel, die bij het geheim der Menschwording optreedt (Luc. I 26 volg.), wordt hier gezonden om den tijd daarvan en de zegeningen, in dit

Sluiten