Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Veni autem ut docerem te quas ventura sunt populq tuo in novissimis diebus, quoniam adhuc visio in dies.

16. Cumque loqueretur mihi hujuscemodi verbis, dejeci vultum meum ad terram, et tacui.

16. Et ecce quasi similitudo filii hominis tetigit labia mea: et aperiens os meum locutus sum, et dixi ad eum, qui stabat contra me: Domine mi, in visione tua dissolutae sunt compages meas, et nihil in me remansit virium. Is. VI 7.

17. Et quomodo poterit servus Domini mei loqui cum Domino meo? nihil enim in me remansit virium, sed et halitus meus intercluditur.

18. Rursum ergo tetigit me quasi visio hominis, et confortavit me,

19. Et dixit: Noli timere vir desideriorum: pax tibi: confortare, et esto robustus. Cumque loqueretur mecum, convalui, et dixi: Loquere Domine mi, quia confortasti me.

om tot heil van dit rijk den terugkeer der nog overige ballingen te vertragen. — Michaël, de schutsengel van Gods volk (v. 21), was een van de eerste vorsten als aartsengel. Hij had het gebed van den engel van Daniël ondersteund. En ik bleef daar, d. i. ik kon niet eerder tot u komen, opgehouden door dien wedstrijd van gebeden. Naar de Septuag.: «en ik liet hem (Michaël) daar achter bij den vorst, den koning der Perzen». Michaël moest nu alleen den wedstrijd met den engel der Perzen voeren. — Uit dit vers volgt dat rijken en gewesten, zoowel als de menschen, hunne eigen schutsengelen hebben. Hetzelfde ligt opgesloten in Gen. XIX; XXI 17; XXIV f, 40. Vgl. Deut XXXII 8 (naar de Septuag.); Jos. V 14; IV Reg. XIX 35. Deze leer aangaande de schutsengelen was ook aan de oude Chaldeën, blijkens hunne opschriften, niet onbekend. ") In de laatste, Hebr.: «aan het

14. Ik nu ben gekomen om u te onderrichten wat uw volk overkomen zal in de laatste dagen, want het gezicht betreft nog die dagen12).

15. En toen hij die woorden tot mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde neder, en ik was sprakeloos.

16. En zie, als de gelijkenis van eenen menschenzoon raakte mijne lippen aan; en mijnen mond openend sprak ik, en ik zeide tot dengene, dié tegenover mij stond: Mijn heer, bij uwe verschijning werden mijne geledingen ontbonden, en niets bleef er in mij over aan kracht13).

17. En hoe zou een dienstknecht mijns heeren kunnen spreken tot mijnen heer")? Want niets is er in mij overgebleven aan kracht, ja zelfs mijn adem is afgesneden.

18. Daarom raakte mij nogmaals als de verschijning eens menschen aan en versterkte mij,

19. en hij zeide: Vrees niet, man van verlangens, vrede zij u; schep moed en wees sterk! En toen hij tot mij sprak, werd ik gesterkt, en ik zeide: Spreek, mijnheer, want gij hebt mij versterkt15)!

einde der» dagen, d. i. in het laatste tijdperk der geschiedenis van Israël tot aan den Messias, diens tijdvak medegerekend; zie II noot 28. Want het gezicht betreft nog die verafgelegen dagen.

") De gelijkenis van een menschenzoon was de als een mensch verschijnende engel (v. 5), die de lippen van den profeet aanraakte, ten teeken dat God hem de spraak en de vrijmoedigheid tot spreken schonk (vgl. Is. VI 6, 7; Ps. L 17). Voor werden mijne geledingen ontbonden heeft het Hebr.: «zijn mijne smarten op mij gekomen».

") Indien reeds de verschijning van den engel den profeet dermate ontstelde, hoe zou hij dan tot hem durven spreken ? Uit eerbied noemt hij den engel zijnen heer en zich vernederend noemt hij zich zelvén den dienstknecht van den engel.

") Eerst na ten derden male (zie v. 10 en 16) te zijn versterkt, was Daniël

Sluiten