Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

byteri in medio populi, posuerunt manus suas super caput ejus.

35. Quse flens suspexit ad ccelum: erat enim cor ejus fiduciam habens in Domino.

36. Et dixerunt presbyteri: Cum deambularemus in pomario soli, ingressa est hasc cum duabus puellis: et clausit ostia pomarii, et dimisit a se puellas.

37. Venitque ad eam adolescens, qui erat absconditus, et concubuit cum ea.

38. Porro nos cum essemus in angulo pomarii, videntes iniquitatem, cucurrimus ad eos, et vidimus eos pariter commisceri.

39. Et illum quidem non quivimus comprehendere, quia fortior nobis erat, et apertis ostiis exsilivit:

40. Hanc autem cum apprehendissemus, interrogavimus, quisnam esset adolescens et noluit indicare nobis: hujus rei testes sumus.

41. Credidit eis multitudo quasi senibus et judicibus populi, et condemnaverunt eam ad mortem.

42. Exclamavit autem voce magna Susanna, et dixit: Deus aeterne, qui absconditorum es cognitor, qui nosti omnia antequam fiant,

43. Tu seis quoniam falsum testimonium tulerunt contra me: et ecce morior, cum nihil horum fecerim, quaa isti malitiose composuerunt adversum me.

44. Exaudivit autem Dominus vocem ejus.

45. Cumque duceretur ad mortem,

) Als getuigen en beschuldigers, naar Lev. XXIV 14 en Deut. XIII 9.

") Naar de Septuag. bad zij reeds hier het gebed, dat de Vulgaat eerst in v. 42 volg. heeft.

*•) Volgens eene Syrische vertaling werd zij als overspelige (vgl. Ez. XVI

op te midden van het volk en legden hunne handen op haar hoofd14).

35. En weenend zag zij op naar den hemel15); want haar hart bleef vertrouwen stellen op den Heer.

36. En de oudsten zeiden: Terwijl wij in den boomgaard alleen wandelden, kwam deze er met twee dienstmaagden in; en zij sloot de poorten van den boomgaard en zond de dienstmaagden van zich weg.

37. En tot haar kwam een jonkman, die zich verborgen had, en hij legde zich bij haar neder.

38. Wij nu, die in een hoek van den boomgaard waren, liepen op het zien van het misdrijf naar hen toe en zagen hen met elkander verzamen.

39;> En hem konden wij wel niet grijpen, omdat hij sterker was dan wfl en, na de poorten geopend te hebben, ontsnapte;

40. maar deze grepen wij, en wij vroegen haar, wie de jonkman was, en zij wilde het ons niet bekend maken: hiervoor zijn wij getuigen.

41. De menigte geloofde hen, omdat zij oudsten en rechters des volks waren; en zij veroordeelden haar ter dood16).

42. Susanna echter riep met luider stem en zeide: Eeuwige God, die het verborgene kent, die alles weet eer het geschiedt,

43. Gij weet, dat zij valsche getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en zie, ik sterf, ofschoon ik niets gedaan heb van hetgeen dezen boosaardig tegen mij verzonnen hebben.

44. De Heer nu verhoorde hare stem.

45. En toen zij ter dood werd ge-

38, 40 en Joan. VIII 5) veroordeeld om gesteenigd te worden en op het negende uur uitgeleverd om van eene steile hoogte te worden neergeworpen. Het volk stroomde samen om getuige te zijn van die straf.

Sluiten