Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Et dixit Dominus ad eum: Voca nomen ejus Jezrahel: quoniam adhuc modicum, et visitabo sanguinom Jezrahel super domum Jehu, et quiescere faciam regnum domus Israël.

5. Et in illa die conteram arcum Israël in valle Jezrahel.

6. Et concepit adhuc, et peperit filiam. Et dixit ei: Voca nomen ejus Absque misericordia: quia non addam ultra misereri domui Israël, sed oblivione obliviscar eorum.

7. Et domui Juda miserebor, et salvabo eos in Domino Deo suo: et non salvabo eos in arcu, et gladio, et in bello, et in equis, et in equitibus.

8. Et ablactavit eam, qua) erat Absque misericordia. Et concepit, et peperit filium.

9. Et dixit: Voca nomen ejus: Non populus meus: quia vos non populus meus, et ego non ero vester.

10. Et erit numerus filiorum Israël quasi arena maris, quas sine mensura est, et non numerabitur. Et erit in loco ubi dicetur eis: Non

*) d. i. «God zal verstrooien» of «zaaien».

") d. i. den moord en den roof door Achab en Jezabel gepleegd op Nabotb uit de stad Jezrahel (vgl. III Reg. XXI). Jehu werd door God opgewekt om die gruwelen te straffen; maar hij en zijn huis bedreven dezelfde zonden, welke hier de bloedschuld van Jezrahel genoemd worden. Daarom voorspelt de profeet de verwerping van Jehu s huis. Zie de vervulling IV Reg. XV 10.

") De profeet voorspelt den ondergang van Israël en herhaalt (v. 5) die voorspelling in beeldspraak.

*) d. i. zijne krijgsmacht verdelgen. Het dal van Jezrahel, het tooneel van Achab's zonden en wraakgericht, beteekent hier het geheele rijk van Israël,

4. En de Heer sprak tot hem: Noem zijnen naam Jezrahel5), want nog een weinig tijds en Ik zal de bloedschuld van Jezrahel8) bezoeken aan het huis van Jehu en Ik zal doen ophouden het rijk van het huis van Israël7).

5. En te dien dage zal Ik breken den boog van Israël8) in het dal van Jezrahel.

6. En zij ontving weder en zij baarde eene dochter. En Hij zeide tot hem: Noem haren naam Geengenade9), want Ik zal verder geen genade meer doen aan het huis van Israël, maar in vergetelheid zal Ik hen vergeten.

7. En aan het huis van Juda zal Ik genade doen en Ik zal hen redden in den Heer, hunnen God, en Ik zal hen niet redden door boog en zwaard en door krijg en door paarden en door ruiters10).

8. En zij speende haar, die heette Geen-genade. En zij ontving en zij baarde eenen zoon.

9. En Hij zeide: Noem zijnen naam: Mijn-volk-nietu), want gij zijt niet mijn volk en Ik zal niet zijn de uwe11).

10. En het getal der kinderen van Israël zal zijn als het zand der zee, dat zonder maat is en niet geteld zal worden. En het zal zijn, ter plaatse, waar het tot hen zal hee-

het land der misdaden en weldra ook der goddelijke wraak.

") Hebr.: «Lo-ruchama», d. i. de niet begenadigde, of geen genade voor u.

") Zoo werden de Assyriërs later voor Jerusalem niet door boog en zwaard, enz., maar door de hand Gods verslagen (IV Reg. XIX 35). Gods ontfermende genade aan het huis van Juda beteekent hier vooral het heil van den Messias, eene onverdiende genadegave van des Heeren ontferming, welke niet wordt verkregen door boog 'en zwaard d. i. door natuurlijke krachten.

") Hebr.: «Lo-ammi». Israël, dat mijn verbond heeft verbroken, is niet meer mijn volk.

1S) Uw beschermer en weldoener.

Sluiten