Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

litudinem, et statuam eam velut terram inviam, et interficiam eam siti.

4. Et filiorum illius non miserebor: quoniam filii fornicationum sunt.

5. Quia fornicata est mater eorum, confusa est quae concepit eos: quia dixit: Vadam post amatores meos, qui dant panes mini, et aquas meas, lanam meam, et linum meum, oleum meam, et potum meum.

6. Propter hoe ecce ego sepiam viam tuam spinis, et sepiam eam maceria, et semitas suasnoninveniet.

7. Et sequetur amatores suos, et non apprehendet eos: et quasret eos, et non inveniet, et dieet: Vadam, et revertar ad virum meum priorem: quia bene mihi erat tune magis quam nunc.

8. Et haec nescivit, quia ego dedi ei frumentum, et vinum, et oleum, et argentum multiplicavi ei, et aurum, qua? fecerunt Baal.

9. Idcirco convertar, et sumam frumentum meum in tempore suo, et vinum meum in tempore suo, et liberabo lanam meam et linum meum, quse operiebant ignominiam ejus.

10. Et nunc revelabo stultitiam ejus in oculis amatorum ejus: et vir non eruet eam de manu mea.

c) waar gebrek is aan hetnoodzakelijke.

') Hebr.: «als een verdorden grond», waar men van dorst wegkwijnt. Eene zinspeling op Num. XIV 35.

8) Kinderen, die op het voorbeeld hunner moeder zich schuldig maakten aan afgoderij.

*) De minnaars zijn de heidensche volken, met welke Israël verbonden sloot, en de afgoden dier volken, welke Israël vereerde. Aan hen werd dank geweten voor den overvloed aan tijdelijk goed.

l0) m. a. w., God zal hun boos opzet verhinderen en hen door straffen dwingen tot Hem terug te keeren.

") God den Heer.

") Het ontrouwe Israël wilde niet

zette als eene woestijn6) en haar make als een ongebaand land7) en haar doode door dorst.

4. En aan hare kinderen zal Ik geene genade doen, want kinderen der hoererijen8) zijn zij.

5. Want gehoereerd heeft hunne moeder, te schande is geworden zij, die hen ontving, daar zij zeide: Ik zal mijne minnaars9) achternaloopen, die mij brood geven en mijn water, mijne wol en mijn vlas, mijne olie en mijn drank.

6. Daarom zie, Ik zal uwen weg versperren met doornen en hem versperren met eenen muur en zij zal hare paden niet vinden10).

7. En zij zal hare minnaars volgen en zij zal hen niet inhalen; en zij zal hen zoeken en zij zal hen niet vinden; en zij zal zeggen: Ik zal gaan en terugkeeren tot mijnen eersten man11), daar het mij wel was toen, beter dan nu.

8. En zij erkende niet, dat Ik haar koren gaf en wijn en olie12) en dat Ik haar vermeerderde het zilver en het goud, dat zij besteedden voor Baal13).

9. Daarom zal Ik Mij omkeeren en nemen11) mijn koren te zijnen tijde en mijnen wijn te zijnen tijde en Ik zal vrijmaken15) mijne wol en mijn vlas, die hare schande bedekten.

10. En nu zal Ik hare dwaasheid16) openbaren voor de oogen harer minnaars17) en geen man zal haar rukken uit mijne hand.

erkennen, dat de Heer de gever is van al deze voortbrengselen van hun land.

") Eene algemeene benaming der ChanaSnietische afgoden.

") d. i. Ik zal weder, zooals vroeger meermalen geschied is, hun mijne gaven ontnemen en hen gebrek laten lijden aan voedsel en kleeding. Ie zijnen tijde, beteekent: als de vruchten reeds rijp zijn voor den oogst.

") van de dienstbaarheid der zonde. Vgl. Rom. VIII 20, v. — Hebr.: «Ik zal nemen».

*•) Hebr.: «hare schaamte», de onteerende straf voor overspel.

") harer heidensche naburen, naar wier gunst Israël dong.

Sluiten