Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

judicet: et non arguatur vir: populus enim tuus sicut bi, qui contradicunt sacerdoti.

5. Et corrues hodie, et corruet etiam propheta tecum: nocte tacere feci matrem tuam.

6. Conticuit populus meus, eo quod non habuerit scientiam: quia tu seientiam repulisti, repellam te, ne sacerdotio fungaris mihi: et oblita es legis Dei tui, obliviscar filiorum tuorum et ego.

7. Secundum multitudinem eorum sic pecca verun t mihi: gloriam eorum in ignominiam commutabo.

8. Peccata populi mei comedent, et ad iniquitatem eorum sublevabunt animas eorum.

9. Et erit sicut populus, sic sacerdos: et visitabo super eum vias ejus, et cogitationes ejus reddam ei. Is. XXIV 2.

10. Et comedent, et non saturabuntur: fornicati sunt, et non cessaverunt: quoniam Dominum

') Niemand veroordeele of berispe die hardnekkigen. Dit is ook de zm van den grondtekst: Niemand twiste of richte verwijtingen tot dit volk, want het helpt toch met. De reden volgt: allen zijn hardnekkige zondaars en den dood schuldig, zooals hij, die zich niet onderwierp aan de uitspraak van den priester (vgl. Deut. XVII 12).

8) Heden, d. i. binnen korten tijd, zult gij met uwe valsche profeten te gronde gaan; des nachts, in het akelige der duisternis, doe ik uwe moeder, Samaria, de hoofdstad des lands, zwijgen door de wegvoering harer bevolking. Hebr.: «Bij dag zult gij vallen en bij nacht zal ook de profeet met u vallen en Ik zal uwe moeder verdelgen,» m. a. w., onophoudelijk (bij dag en bij nacht) zullen rampen op u en uwe verleiders neerkomen, wanneer het land en de hoofdstad door de Assyriërs zullen verdelgd worden.

") Mijn volk verstomt, of liever (Hebr.) «vergaat», omdat het weigert Mij te gehoorzamen. Zie noot 2.

geen man worde berispt7), want uw volk is als zij, die den priester tegenspreken.

5. En vallen zult gij heden en vallen zal ook de profeet met u, des nachts doe Ik uwe moeder zwijgen8).

6. Mijn volk verstomt, omdat het de kennis niet heeft9). Dewijl gij de kennis verworpen hebt, zal Ik u verwerpen, opdat gij Mij het priesterschap niet meer zult bedienen10), en dewijl gij vergeten hebt de wet van uwen God, zal ook Ik uwe kinderen11) vergeten.

7. Naar gelang hunner menigte1*), naar die mate zondigden zij tegen Mij; hunne heerlijkheid zal Lc in schande verkeeren.

8. De zonden mijns volks eten zij en naar diens ongerechtigheid hunkeren hunne zielen18).

9. En gelijk het volk, zoo zal de priester zijn14), en Ec zal zijne wegen aan hem bezoeken en naar zijne raadslagen hem vergelden.

10. En zij zullen eten en zij zullen niet verzadigd worden15), zij hoereerden en zij bielden niet op16),want

") God had Israël gemaakt «tot een priesterlijk koninkrijk», d. i. tot priesters en koningen, «tot een heilig volk» (Exod. XIX 6). Thans wordt het door God verworpen en van dat voorrecht beroofd om zijne afgoderij en zijne overige zonden.

") de onderdanen des rijks.

") Naar gelang zij toenamen in getal en rijkdom. Dit noemt de profeet aanstonds hunne heerlijkheid.

") De priesters van Bethel en Dan eten de zonden, d. i. de offers voor de zonden, waarvan zij hun wettig aandeel kregen (Lev. VI 25, v.). Zq hunkerden naar de ongerechtigheid des volks, om zoo hunne inkomsten te vermeerderen.

") Hetzelfde strafgericht zal het volk en den priester treffen om zijne wegen d. i. booze handelingen.

") nu a. w. zij zullen van hunnen' overvloed niet kunnen genieten.

") Zonder ophouden bedrijven zij afgoderij. Volgens den grondtekst bedreigt de profeet hun huwelijk met onvruchtbaarheid.

I

Sluiten