Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPÜT VIII.

HOOFDSTUK VIII.

Israëls onwettige koningen en afgoden (v. 1—6). Zijn ondergang is aanstaande, omdat het verbonden sluit met heidenen en de altaren vermenigvuldigt tegen de voorschriften van Gods Wet. Ook Juda is schuldig (v. 7—14).

1. In gutture tuo sit tuba quasi aquila super domum Domini: pro eo quod transgressi sunt foedus meum, et legem meam praevaricati sunt.

2. Me invocabunt: Deus meus cognovimus te Israël.

3. Projecit Israël bonum, inimicus persequetur eum.

4. Ipsi regnaverunt, et non ex me: principes exstiterunt, et non cognovi: argentum suum, et aurem suum fecerunt sibi idola, ut interirent:

5. Projectus est vitulus tuus Samaria, iratus est furor meus in eos. Usquequo non poterunt emundari?

6. Quia ex Israël et ipse est: artifex fecit illum, et non est Deus: quoniam in aranearum telas erit vitulus Samaria?.

7. Quia ventum seminabunt, et turbinem metent: culmus stans non est in eo, germen non faciet fari-

') De profeet moet openlijk en duidelijk, als met bazuingeschal, het volgende verkondigen: gelijk de arend, alvorens hij op den buit neerploft, boven zijne prooi zweeft, zoo staat de vijand gereed om neer te vallen op het huis des Heeren, op Israël, Gods huisgezin.

') In den nood zullen zij redding zoeken bij God, zonder zich te bekeeren. Het voorrecht van Israël, Gods volk te zijn, zal hun dan niet baten; integendeel, hunne meerdere kennis van God zal eene reden van zwaardere straf zijn.

") Te weten, de koningen uit David's huis (v. 4) en den dienst van Jehova (v. 4, v.v.).

*) De profeet bedoelt de koningen en de vorsten van Israël; zij, de meesten althans, waren indrin

1. Aan uwen mond zij de bazuin! Als een arend boven bet huis des Heeren1)! omdat zij mijn verbond hebben overtreden en tegen mijne wet zijn opgestaan.

2. Mij zullen zij aanroepen: Mijn God, wij kennen U, wij Israël2)!

3. Verworpen heeft Israël het goede8); de vijand zal hem achtervolgen.

4. Zij waren koningen, en niet door Mij; zij waren vorsten, en Ik heb hen niet erkend4). Hun zilver en hun goud maakten zij zich tot afgodsbeelden, zich zeiven ten verderve.

5. Verworpen is uw kalf, o Samaria5); ontstoken is mijne woede tegen hen. Hoe lang nog zullen zij niet vermogen zich rein te houden6) ?

6. Want ook dat7) is uit Israël, een werkman heeft het gemaakt, en het is geen God, want tot spinrag8) zal zijn het kalf van Samaria.

7. Want wind zullen zij zaaien, en storm zullen zij oogsten9). Geen halm zal er overeind staan, het gewas zal

gers, door geweld op den troon gekomen.

') Hebr.: «Een verfoeilijk ding is uw kalf.» Samaria, de hoofdstad vertegenwoordigt het rijk, dat schuldig was aan afgoderij in de heiligdommen van Bethel en Dan.

s) Eene tusschenrede van verontwaardiging tegen die hardnekkige afgodendienaars. De zin is: Hoe lang nog zullen zij zich blijven bezoedelen door die afschuwelijke afgoderij?

') Het gouden kalf, en dat is het werk van Israël, Gods volk!

8) Hebr.: «tot splinters.» De Assyriërs zeilen het gouden bekleedsel buit maken en de rest tot splinters verbrijzelen. Wel een bewijs, dat het geen God is!

°) Dit gezegde betreft waarschijnlijk de verbonden, die Israël tot zijn verderf met heidensche vorsten sloot.

Sluiten