Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nam: quod et si fecerit, alieni comedent eam.

8. Devoratus est Israël: nunc factus est in nationibus quasi vas immundum.

9. Quia ipsi ascenderunt ad Assur, onager solitarius sibi: Ephraim munera dederunt amatoribus.

10. Sed et cum mercede conduxerint nationes, nunc congregabo eos: et quiescent paulisper ab onere regis, et principum.

11. Quia multiplicavit Ephraim altaria ad peccandum: faetse sunt ei ara? in delictum.

12. Scribam ei multiplices leges meas, quee velut alienae computatse sunt.

13. Hostias offerent, immolabunt carnes, et comedent, et Dominus non suscipiet eas: nunc recordabitur iniquitatis eorum, et visitabit peccata eorum: ipsi in -#3gyptum convertentur.

") Wat nog rnp wordt, zullen hunne heidensche bondgenooten wegnemen.

") Al wat Israël bezit, zelfs zijn volksbestaan, zal door de bondgenooten verslonden worden; onder de heidenen verstrooid, zal het in diepe verachting zijn, als een onrein val.

") De profeet leert door deze vergelijking, hoezeer het verbond met Assur in strijd is met de heiligheid van Gods volk, hoe onnatuurlijk de verbinding is van Israël met Assur. De woudezel, een schuw dier, volgt zijne natuur en zondert zich af van de andere dieren. Haar Ephraïm, het aan God geheiligd volk, heeft geschenken gegeven aan zijne minnaars, d. i. aan de heidenen, met wie het zich door vriendschapsbanden, door navolging van zeden en godsdienst innig verbond.

") Om hen allen te zamen in ballingschap te zenden.

") Het is met bijtenden spot gezegd: dan zullen zij ontheven worden van

geen meel voortbrengen, en zoo het iets voortbrengt, zullen vreemden het verteren10).

8. Verslonden wordt Israël; nu wordt het onder de volken als een onrein vatu).

9. Want zij zijn opgegaan naar Assur; een woudezel leeft eenzaam voor zich1*): die van Ephraïm hebben geschenken gegeven aan hunne minnaars!

10. Maar ook al huren zij voor loon de volken, dan zal Dc hen verzamelen18); en zij zullen een weinig verkwikking hebben van den last van koning en van vorsten14).

11. Omdat Ephraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zijn de altaren hem tot zonde geworden15) !

12. Schrijve Dc hem mijne menigvuldige wetten voor, zij worden als van eenen vreemde geacht16).

13. Offers zullen zij brengen, zij zullen vleesch slachten en eten, en de Heer zal ze niet aannemen17)- Nu zal Hij hunne ongerechtigheid gedenken en Hij zal hunne zonden bezoeken: naar Egypte zullen zij terugkeer en18).

den last, welke hun door vroegere bondgenooten werd opgelegd.

"*) Tegen het voorschrift van Deut. XII 5, v. v., dat gebood alléén in den tempel van Jerusalem te offeren, bouwde Ephraïm of Israël overal altaren; elk dier altaren bezwaarde het volk met nieuwe schuld.

16) Israël zondigde tegen het uitdrukkelijk voorschriftder wet. Maar wat geeft het om die goddelijke wet! Schrijve Ik Israël «een tienduizendtal mijner wetten» voor (Hebr.), zij worden geacht als door eenen vreemde voorgeschreven en dus niet hen verplichtend. Dat tienduizendtal van geschreven wetten ziet klaarblijkelijk op den Pentateuch.

1Z) Want die offers werden met zondige gezindheid en in onwettige heiligdommen opgedragen. Zie V 6.

") G°d zal hunne zonden door de ballingschap bezoeken of straffen. Egypte, waar hunne voorvaderen als vreemdelingen verbleven, staat hier voor het land der ballingschap.

Sluiten