Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Et oblitus est Israël factoris sui, et aedificavit delubra: et Judas multiplicavit urbes munitas: etmittam ignem in civitates ejus, et devorabit aedes illius.

14. En vergeten heeft Israël zijnen Maker en het heeft afgodstempels gebouwd. Ook Juda heeft de versterkte steden vermenigvuldigd19); en Ik zal vuur afzenden over zijne steden, en het zal zijne paleizen verteren20).

CAPUT IX.

HOOFDSTUK IX.

In de aanstaande ballingschap wordt Israël van alle goed beroofd, (v. 1—9). Rechtvaardig is die straf, want aan Gods weldaden beantwoordde het volk door tonden (v. 10—17).

1. Noli laetari Israël, noli exsultare sicut populi: quia fornicatus es a Deo tuo, dilexisti mercedem super omnes areas tritici.

2. Area et torcular non pascet eos, et vinum mentietur eis.

3. Non habitabunt in terra Domini: reversus est Ephraim in iEgyptum, et in Assyriis pollutum comedit.

4. Non libabunt Domino vinum, et non placebunt ei: sacrificia eorum quasi panis lugentium: omnes, qui comedent eum, contaminabuntur: <quia panis eorum anima? ipsorum, non intrabit in domum Domini.

**) Dit geschiedde in navolging der heidensche volken en uit gebrek aan vertrouwen op Jehova. Daarom volgt aanstonds de strafbedreiging.

*°) Met dezelfde woorden besluit Amos (I en II) telkens de aankondiging van het strafgericht.

*) Gelijk de heidenen op het oogstfeest ter eere hunner goden met réien van dansers «jubelen» (Hebr.)

*) Zij beschouwen den oogst als het loon hunner geestelijke hoererij of afgoderij. Zie IT 5, v.

*) De geoogste vruchten, graan en olie, zullen hun geen voordeel brengen en de wijn zal hunne verwachting bedriegen. Zie 118,9; VII 14.

1. Verblijd u niet, Israël, juich niet gelijk de volken1)! want gehoereerd hebt gij tegen uwen God, gij hebt het hoerenloon liefgehad op alle dorschvloeren van tarwe*).

2. Dorschvloer en. oliepers zullen hen niet voeden en de wijn zal hen bedriegen8).

3. Zij zullen niet wonen in het land des Heeren; Ephraïm keert terug naar Egypte en eet onder de Assyriërs het onreine4).

4. Zij zullen den Heer geen wijn plengen en zij zullen Hem niet behagen; hunne offers zullen zijn als brood der treurenden: allen, die er van eten, zullen zich onrein maken5). Want hun brood zal voor hun leven zijn; het komt niet in het huis des Heeren8).

4) Vgl. VUI noot 18. In Assyriê, het land der ballingschap, zal Ephraïm zijne spijswetten met kunnen onderhouden en spijzen moeten gebruiken, die volgens zijne wet onrein zijn.

*) Ver van Jerusalem, van het eenig wettige heiligdom verwijderd, kan Israël den Heer niet offeren; de offers, die zij in het land der ballingschap opdragen, zouden hen schuldiger voor God maken en de maaltijden van die offers aangericht zouden zijn als brood der treurenden, d. i. als het rouwmaal in een sterfhuis, dat allen daar tegenwoordig onrein maakte (Num. YTY 14).

*) Hun dagelijksch brood kunnen zij daar niet heiligen door het hefoffer; het dient alleen tot voeding en onderhoud des levens.

Sluiten