Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Perditio tua Israël: tantummodo in me auxilium tuum.

10. Ubi est rex tuus? maxime nunc salvet te in omnibus urbibus tuis: et judices tui, de quibus dixisti: Da mihi regem, et principes. I Reg. VIII 5.

11. Dabo tibi regem in furore meo, et auferam in indignatione mea.

12. Colligata est iniquitas Ephraim, absconditum peccatum ejus.

13. Dolores parturientis venient ei: ipse fillus non sapiens: nunc enïm non stabit in contritione filiorum.

14. De manu mortis liberabo eos, de morte redimam eos: ero mors tua o mors, morsus tuus ero interne : consolatio abscondita est ab

9. Uw eigen verderf zijt gij, Israël! Alleen in Mij is uwe hulp.

10. Waar is uw koning? vooral nu redde hij u in al uwe steden10). En waar zijn uwe rechters, van wie gij gezegd hebt: Geef mij eenen koning en vorsten?

11. Ec zal u een koning geven in mijnen toorn11), en wegnemen zal Bc hem in mijne verbolgenheid12).

12. Samengebonden is de schuld van Ephraïm, opgeborgen zijne zonde13)!

13. Weeën der barende zullen over hem komen; hij is een onverstandige zoon; nu toch zal hij niet staande blijven bij den ondergang van zijn kroost1*).

14. Uit de hand des doods zal Ec hen verlossen, van den dood zal Ik hen vrijkoopen. Ec zal uw dood zijn, o dood! uw doodsteek zal Ec zijn, onderwereld15)! De troost is

,0) Door deze beschamende vraag bevestigt God, dat Hij alleen hen kan redden, want de machtelooze koningen, de opvolgers van Jeroboam II, vermochten niets. Om deze vraag beter te begrijpen, herinnere men zich, dat Israël ten tijde van Samuël tegen den wil van God eenen koning begeerd had, om zich uit de handen der vijanden te verlossen (vgl. I Reg. VHI 4, v.). Welaan, nu was die tijd gekomen! Nu moge hij u redden, tn al uwe steden, waar zijne hulp noodig is, maar in het uur van den nood is hij nergens te vinden. — Rechters heeten hier de koningen, die gesteld waren om het volk te richten.

") Goed drukt de Septuagint den zin uit: «Ik gaf u» enz. God vervulde hunne begeerte naar eenen koning om hunnen afval te straffen, want Hij voorzag, dat vooral de koningen van het rijk van Israël door hunne goddeloosheid het volk ten ondergang zouden voeren. Vgl. I Reg. VIII 11—20.

") Door het rijk en het koningschap van Israël voor altijd te vernietigen. De reden hiervan volgt v. 12.

1S) Geheel de schuld van Ephraïm of Israël is tot een bundel samengebonden, ten einde er niets van ver¬

loren ga of liever ongestraft blijve; zijne zonde is zorgvuldig opgeborgen als een schat voor den dag der wraak. Vgl. Rom. II 5.

") Gelijk barensweeën, zoo hevig en zoo plotseling zal de smart Israël overvallen, die tevens de voorbode zal zijn eener nieuwe geboorte van Gods volk. Thans is Israël nog een onverstandige zoon, die door strenge straffen moet getuchtigd worden; het rijk zal niet staande blijven, maar te gronde gaan bij den ondergang van Israël's kroest^ d. i. van de onderdanen des rijks door de ballingschap. In den grondtekst wordt Ephraïm eerst met de moeder vergeleken, over wie de barensweeën komen, dan met een onverstandigen zoon, die, als de tijd der geboorte daar is, zich niet aanbiedt om geboren te worden; m. a. w. Israël is uit zichzelf onmachtig om tot een nieuw leven te geraken. Maar is Israël onmachtig, de Heiland van Israël, God, zal redding of leven uit den dood geven. Dit zegt God in v. 14, waar Hij den dood zegevierend toespreekt.

1S) d. i. Ik zal den dood dooden of overwinnen, hem zijne prooi ontrukken; Ik zal de onderwereld, die tot dan toe door haren doodsteek, met haar gif tigen

Sluiten