Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sipatse sunt apotheca;: quoniam confusum est triticum.

18. Quid ingemuit animal, mugierunt greges armenti ? Quia non est pascua eis: sed et greges pecorum disperierunt.

19. Ad te Domine clamabo: quia ignis comedit speciosa deserti, et flamma succendit omnia ligna regionis.

20. Sed et bestise agri, quasi area sitiens imbrem, suspexerunt ad te: quoniam exsiccati sunt fontes aquarum, et ignis devoravit speciosa deserti.

vervallen de voorraadhuizen, want te schande werd de tarwe.

18. Waarom zucht het gedierte, waarom loeien de runderkudden? Omdat zij geen weide hebben; en zelfs de kudden schapen21) komen om!

19. Tot U, Heer, roep ik22); want een vuur23) heeft het schoone2*) der woestijn verteerd, en een vlam25) alle boomen des velds verzengd.

20. En zelfs de dieren des velds, evenals een akker' dorstend naar regen, zien tot U op; want uitgedroogd zijn de waterbronnen, en een vuur heeft het schoone der woestijn verteerd26).

CAPUT II.

HOOFDSTUK II.

Schildering van het dreigend wraakgericht (v. 1—11). Aan de vermaning tot boete (v. 12—17) gaf het volk gehoor (v. 18). Troostvolle belofte voor de naaste toekomst (v. 19—27). Uitstorting der gaven van Gods Geest en wereldgericht (v. 28—82).

1. Canite tuba in Sion, ululate in monte sancto meo, conturbentur omnes habitatores terra): Quia venit dies Domini, quia prope est

Hebr. tekst is duister; men vertaalt: «het graan ligt te verschrompelen in de kluiten» d. ï. wegens de droogte kan het niet ontkiemen. Want de plaag der sprinkhanen ging soms vergezeld van den brandenden zuidoostenwind. Alzoo mislukte de oogst en kwamen de ledige graanschuren tot verval.

21) Eigenlijk «van klein vee»: schapen en geiten, die zelfs op de dorre heiden anders het noodige voedsel vinden, komen van gebrek om.

") De profeet, getroffen door die rampen, waarin zelfs het redelooze schepsel moet deelen, bidt God om ontferming.

") d. i. De verzengende hitte.

**) Hebr.: «de weilanden».

") De brandende zuidoostenwind.

M) Sommigen zijn van oordeel, dat Joël dn dit hoofdstuk niet de plaag der sprinkhanen beschrijft, maar de komst van vijandelijke legers voorzegt. Deze

1. Blaast de bazuin op Sion! Jammert op mijnen heiligen berg! Ontsteltenis bevange alle bewoners des lands! Want gekomen is de dag des Heeren, want hij is, nabij1)!

opvatting echter wordt bijna door elk vers weersproken. De vraag, of iets dergelijks hij het leven der hoorders of in de dagen'hunner vaderen is gebeurd (I 2), heeft geen zin, indien er sprake is van iets toekomstigs; evenmin de opwekking om de heugenis daarvan voort te planten van geslacht tot geslacht (v. 3). De sprinkhanen hebben hun werk reeds volbracht (v. 4), én over de gevolgen daarvan wordt geweeklaagd (v. 5). Ook in v. 6 gebruikt de profeet den verleden tijd, evenzoo in v. 9—12. Het rouwbedrijf, waartoe hij opwekt v. 13, v., geldt niet een toekomstig, maar een reeds aanwezig leed, dat dan ook in v. 16—20 niet aangekondigd, maar op nieuw beschreven wordt.

J) Jehova spreekt en vermaant de priesters «alarm te blazen» (Hebr.) op Sion, opdat van den berg «mijner hei-

Sluiten