Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ascendet putredo ejus, quia superbe egit.

21. Noli timere terra, exsulta et laetare: quoniam magnificavit Dominus ut faceret.

22. Nolite timere animalia regionis: quia germinaverunt speciosa deserti, quia lignum attulit fructum suum, ficus, et vinea dederunt virtutem suam.

23. Et filii Sion exsultate, et laetamini in Domino Deo vestro: quia dedit vobis doctorem justitiae, et descendere faciet ad vos imbrem matutinum et serotinum sicut in principio.

24. Et implebuntur arese frumento, et redundabunt torcularia vino, et oleo.

25. Et reddam vobis annos, quos comedit locusta, bruchus, et rubigo et eruca: fortitudo mea magna, quam misi in vos.

26. Et comedetis vescentes, et saturabimini: et laudabitis nomen Domini Dei vestri, qui fecit mirabiba vobiscum: et non confundetur populus meus in sempiternum.

hanen uitdrijven, opdat hun verpestend overschot geen oorzaak worde van verderf. De oostelijke is de Doode Zee, de achterste de Middellandsche Zee; want bij het bepalen der richting keerde men het gelaat naar het oosten.

*') Omdat die vijand het volk van Juda al te erg geteisterd heeft.

**) Gelijk menschen, dieren en land door God gestraft waren (I 5, v.), zoo wekt Hq thans allen op tot vreugde (v. 21 v.). Want groote dingen doet de Heer staat in tegenstelling met de slotwoorden van v. 20. Het land, door de sprinkhanen verwoest (I 6, 10, 19), mag thans juichen om de daden van Gods goedheid.

**) Ook de dieren, die van gebrek treurden (I 18—20), mogen thans deelen in de vreugde wegens den overvloed aan voedsel.

**) d. i. Zij geven alles wat zij kunnen geven.

en opstijgen zijn rotlucht, omdat hij overmoedig gehandeld heeft*1).

21. Vrees niet, o land, jubel en verheug u, want groote dingen doet de Heer**).

22. Vreest niet, dieren des velds33)! want groen wordt het schoone der woestijn; want de boom draagt zijne vrucht, de vijgeboom en de wijnstok geven hunne kracht31).

23. En gij, kinderen van Sion, jubelt en verheugt u in den Heer, uwen God. Want gegeven heeft Hij u den leeraar der gerechtigheid**), en Hij zal op u doen afdalen den vroegen en den laten regen, als in den beginne36).

24. En vol zullen worden de dorschvloeren van koren, en overloopen de perskuipen van wijn en olie.

25. En vergoeden zal Ec u de jaren, die de sprinkhaan verslonden heeft, de kever en de brand en de rups: mijn groote legermacht, die Ik tegen u heb afgezonden.

26. En gij zult eten voiop, en gij zult verzadigd worden; en prijzen zult gij den naam van den Heer, uwen God, die wonderen aan u gedaan heeft; en te schande zal mijn volk niet worden in eeuwigheid.

**) Vooral de kinderen, d. i. de inwoners, van Sion mogen zich verheugen, want zij zullen tot een heilig leven worden opgewekt door den leeraar dien God hun gegeven heeft, de profeten namelijk, de priesters en vrome koningen, die tot gerechtigheid, tot de kennis en de naleving van Gods wet aanspoorden. Volgens niet weinigen wordt hier de Messias bedoeld, hoewel volgens anderen in v. 28 zijn tijdperk (•het zal zqn daarna») van het vorige duidelijk wordt onderscheiden. Sommigen vertalen het Hebr.: «want Hij geeft u den vroegen regen naar rechte mate».

") Aan de onderhouding van Gods wet beantwoorden de aardsche zegeningen volgens den aard van het Oude Verbond. De vroege regen valt van October tot November en is voor het zaaien noodig. Hebr.: «de late regen in de eerste» maand Nisan (van . Maart tot April). Zie Osee VI noot 5.

Sluiten