Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Juravit Dominus Deus in anima sua, dicit Dominus Deus exercituum: Detestor ego superbiam Jacob, et domos ejus odi, et tradam civitatem cum habitatoribus suis.

9. Quod si reliqui fuerint decem viri in domo una, et ipsi morientur.

10. Et tollet eum propinquus suus, et comburet eum, ut efferat ossa de domo: et dieet ei, qui in penetralibus domus est: Numquid adhuc est penes te ?

11. Et respondebit: Finis est. Et dieet ei: Tace, et non recorderis nominis Domini.

12. Quia ecce Dominus mandabit, et percutiet domum majorem ruinis, et domum minorem scissionibus.

13. Numquid currere queunt in petris equi, aut arari potest in bubalis, quoniam convertistis in amaritudinem judicium, et fructum justitiav in absinthium ?

14. Qui laetamini in nihilo: qui

8. Gezworen heeft de Heere God bij zijn leven9), zegt de Héér, de God der heerscharen: Ec verafschuw de hoovaardij van Jacob, en Ec haat zijne paleizen, en Dc zal de Stad met hare inwoners prijsgeven").

9. Wanneer tien mannen in één huis overig zijn, zullen ook zij sterven11).

10. En zijn naastbestaande zal hem wegnemen en hem verbranden12) om het gebeente uit het huis weg te dragen; en hij zal zeggen tot hem, die binnenshuis is: Is er nog iemand bij u?

11. En deze zal antwoorden: Het is gedaan! En gene zal hem zeggen : Zwijg, en gewaag niet van den naam des Heeren18)!

12. Want zie, de Heer zal gebieden, en het grootere huis zal Hij slaan tot puin, en het kleinere huis met scheuren1*).

13. Kunnen wel paarden op rotsen rennen, of kan men ploegen met buffels? Want in bitterheid hebt gij het recht verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem16).

14. Gij, die blijde zijt om een niet16);

e) De Heer zweert bij zijn leven, d. i. bij zich zeiven, «daar Hij Dij niemand, die meerder is, heeft te zweren» (ad Hebr. VI 13). Zie IV noot 3.

") Hebr.: «de stad en hare volheid», d. i. hare rijkdommen en inwoners.

") Gods strafgericht, gelijk V 16, door pest. Van talrijke f amiliën, waarin nog tien mannen overig zijn, zal er ten laatste geen enkel overblijven.

") Hem, d. 1. een dier aan pestziekte gestorvenen, zal men uitdragen en verbranden; want soms in dringenden nood, bij oorlog en pest, ging men over tot verbranding der lijken. Vgl. 1 Reg. XXXI 12, 13. Met de zorg voor liet' lijk was de naaste bloedverwant belast.

") Een voorbeeld der ontsteltenis en wanhoop bij die pestziekte. Hij die met de zorg voor het lijk belast is, vraagt, na volbrenging van zijn treurigen plicht, of er nog meer lijken binnenshuis liggen. De eenig overgeblevene of iemand

anders antwoordt ontkennend. Daarop waarschuwt de eerste dezen zich stil te houden en den naam van Jehova niet aan te roepen, opdat niet de Heer, bij het uitspreken van den naam Jehova, zijn verbond, in dien naam gegeven, en te gelijk de schennis daarvan indachtig worde en tegen de schuldigen in nieuwen toorn ontvlamme.

M) Want zie, zulk een lot zal inderdaad Israël treffen. De Heer zal het rijk van Israël geheel en al te gronde richten, de paleizen der grooten en de huizen der burgers verdelgen.

") Dat lot is het noodwendig gevolg hunner zonden, welke zij in strijd met hunne roeping en uitverkiezing bedrijven, gelijk het in strijd is met de natuur, dat paarden als klipgeiten over rotsen rennen, of dat men met wilde buffels zou willen ploegen, Vgl. V noot 13.

") Om rijkdommen, welker nietigheid welhaast blijken zal.

Sluiten