Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

avaritia enim in capite omnium, et novissimum eorum in gladio interficiam: non erit fuga eis. Fugient, et non salvabitur ex eis qui fugerit.

2. Si descenderint usque ad infernum, inde manus mea educet eos: et si ascenderint usque in ccelum, inde detraham eos. Pa. CXXXVIII8.

3. Et si absconditi fuerint in vertice Carmeli, inde scrutans auferam eos: et si celaverint se ab oculis meis in profundo maris, ibi mandabo serpenti, et mordebit eos.

4. Et si abierint in captivitatem eoram inimicis suis, ibi mandabo gladio, et occidet eos: et ponam oculos meos super eos in malum, et non in bonum. Jer. XLIV11.

5. Et Dominus Deus exercituum, qui tangit terram, et tabescet: et lugebunt omnes habitantes in ea: et aseendet sicut rivus omnis, et defluet sicut fluvius JEgypti.

6. Qui aedificat in coelo ascensionem suam, et fasciculum suum super terram fundavit: qui vocat aquas

drempels schudden, want geldzucht is in aller hoofd, en hunnen laatste zal Ik door het zwaard dooden2); geen ontvluchten zal er voor hen zijn. Vluchten zullen zij, en niemand uit hen, die vlucht, zal gered worden. 2. Dalen zij af tot in de onderwereld9), van daar zal mijne hand hen opwaarts voeren; en stijgen zij op tot in den hemel, van daar zal Ik hen nederhalen.

8. En verschuilen zij zich op de kruin van den Karmel4), Ik zal hen opsporen en van daar wegsleuren; en verbergen zij zich voor mijne oogen in de diepte der zee, daar zal Et de slang6) gebieden, en zij zal hen bijten.

4. En zijn zij heengegaan in gevangenschap ten aanschouwen van hunne vijanden, daar zal Ec het zwaard gebieden, en het zal hen dooden; en Ik zal mijne oogen op hen richten ten kwade en met ten goede6).

5. En de Heer, de God der heerscharen, die de aarde aanraakt, en zij versmelt7): en treuren zullen allen, die er op wonen; en opstijgen zal zij als de gansche rivier en wegzinken als de stroom van Egypte8);

6. die in den hemel zijnen opgang bouwt, en zijnen bundel op de aarde gegrond heeft»); die de wateren

*) De profeet hoort in een visioen, dat God aan de uitvoerders zijner wraak bevel geeft, de hengselduimen, waarop de tempelpoort steunt, of liever (wat het Hebr. woord waarschijnlijk beteekent) de kapiteelen der kolommen en dus de kolommen zelve te slaan, zoodat ^^bovendrempels of (Hebr.) de hoofdbalken, die op de kolommen rusten, schudden en daveren. «En» (zoo gaat de grondtekst voort) «houw ze in stukken» (die) «op hun aller hoofd» (nederstorten). Een treffend beeld van den ondergang van Gods volk: Hij zelf galast het heiligdom te sloopen en het vergaderde volk onder de puinen te bedelven. De Vulgaat geeft in de laatste woorden (want geldzucht enz.) de reden van dien ondergang. Hunnen laatste,

die niet omkomt onder de puinen des tempels.

*) In v. 2—5 ontwikkelt de profeet dichterlijk het gezegde van v. 1: «geen ontvluchten zal er voor hen zijn».

*) Dicht met bosschen begroeid en vol holen en spelonken.

') Een of ander zeemonster.

*) Ook in de ballingschap zal Gods wraak Israël vervolgen.

0 Evenals IV 13 bevestigt de profeet de voorspelling door te herinneren aan Gods almacht, die de bedreigde straffen en nog zwaardere kan overzenden. Vgl. Ps. LXXIV 4 en XCVI 5.

") Zie Vlil noot 12. Vooral in de aardbeving blijkt Gods machtige hand.

*) Zijnen, opgang, a. i. zijne verhevene woonplaats (Hebr.: «zijne opper-

Sluiten