Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maris, et effundit eas super faciam terras, Dominus nomen ejus. Supra V 8.

7. Numquid non ut filii jEthiopum vos estis mihi, filii Israël, ait Dominus? numquid non Israël ascendere feci de terra JSgypti: et Palaestinos de Cappadocia, et Syros de Cyrene?

8. Ecce oculi Domini super regnum peccans, et conteram illud a facie terras: verumtamen conterens non conteram domum Jacob, dicit Dominus.

9. Ecce enim mandabo ego, et concutiam in omnibus gentibus domum Israëli sicut concutitur triticum in cribro: et non cadet lapillus super terram.

10. In gladio morientur omnes peccatores populi mei: qui dicunt: Non appropinquabit, et non veniet super nos malum.

zaal») heeft Hij gevestigd in de hoogste hemelen, en den bundel van gewelfde bogen (d. i. het hemelgewelf), waarop volgens de dichterlijke voorstelling van den profeet de hemel rust, heeft Hij op de aarde gegrond, want schijnbaar steunt het uitspansel des hemels op de aarde.

,0) Zie V noot 17.

") God heeft dus de macht hen te straffen (v. 5—6); maar waren zij dan niet het zaad van den gezegenden Abraham, het uitverkoren volk ? Hierop antwoordt God, dat daarom hunne zonden niet minder strafwaardig zijn; met de heidenen, wier heidensche zeden zij hebben nagevolgd, zullen zij op ééne lijn worden gesteld. God noemt de Ethiopiërs of Chusieten, het door Israël verachte ras van Chamieten, wier gelaatskleur een zinnebeeld was hunner bedorven zeden.

") Ook hunne verlossing uit Egypte kon hen niet beschermen tegen de slagen van Gods toorn, want ook andere volken had Jehova van woonplaats doen veranderen. Voor Cappadocië heeft de grondtekst «Kaftor», zie Gen: X noot 15. De Syriër», Hebr.: «Aram uit Kir». Zie I noot 13.

der zee roept, en ze uitgiet over het aanschijn der aarde10) — Heer is zijn naam!

7. Zijt gij Mij niet als de zonen der Ethiopiërs, gij zonen van Israël ? spreekt de Heer11). Heb Ik niet Israël doen opgaan uit Egypteland, en de Philistijnen uit Cappadocië, en de Syriërs uit Cyrene1*)?

8. Zie, de oogen des Heeren zijn gericht op het zondige rijk, en Ik zal het verdelgen van het aanschijn der aarde18); nochtans tot verdelgens toe zal Ec niet verdelgen het huis Jacob, zegt de Heer1*).

9. Want zie, gebieden zal Ec en schudden onder alle volken zal Ik het huis Israël, gelijk tarwe geschud wordt met de zeef; en er zal geen korrel ter aarde vallen16).

10. Door het zwaard zullen al de zondaars van mijn volk sterven, die zeggen: Niet naderen tot ons en niet komen over ons zal het onheil.

") Deze regel geldt voor alle eeuwen en volken. Wat voorrecht Israël of Juda of eenig ander rijk van God heeft ontvangen, zoo het van God afvallig wordt, zal het naar verdienste gestraft worden.

") God zal het rijk van Israël verdelgen, maar niet al zijne bewoners. Om de belofte aan de aartsvaders gedaan zal Hij het huis, het nageslacht van Jacob sparen. Wie gespaard zullen blijven, zegt het volgend vers.

**) God zal aan de Assyriërs bevel geven om het huis van Israël te verstrooien in de ballingschap; maar die verstrooiing zal tevens een ziften zijn, waardoor het kaf van het goede graan wordt gescheiden. Die door hunne zeden aan de heidenen gelijk zijn en hardnekkig weigeren tot God terug te keeren, zullen of omkomen (v. 10) of onder de heidenen verdwijnen. Maar die door de beproeving gelouterd tot God terugkeeren, zijn het uitverkoren deel, dat in, het land van belofte zal hersteld worden; in hen zal God de beloofde zegeningen van den Messias vervullen. Lapillus is hier, blijkens de verklaring van den H. Hiëronymus, de goed gevulde graankorrel in tegenstelling van het kaf.

Sluiten