Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verunt viri ad deum suum: et miserunt vasa, qua) erant in navi, in mare, ut alleviaretur ab eis: et Jonas descendit ad interiora naris, et dormiebat sopore gravi.

6. Et aecessit ad eum gubernator, et dixit ei: Quid tu sopore deprimeris? surge, invoca Deum tuum, si forte recogitet Deus de nobis, et non pereamus.

7. Et dixit vir ad collegam suum: Venite, et mittamus sortes, et sciamus quare hoe malum sit nobis. Et miserunt sortes: et cecidit sors super Jonam.

8. Et dixerunt ad eum: Indica nobis cujus causa malum istud sit nobis: quod est opus tuum? qua) terra tua? et quo vadis? rel ex quo populo es tu?

9. Et dixit ad eos: Hebrams ego sum, et Dominum Deum coeli ego timeo, qui fecit mare et aridam.

10. Et timuerunt viri timore mapo, et dixerunt ad eum: Quid hoe fecisti? (Cognoverunt enim viri quod a facie Domini fugeret, quia indica verat eis.)

11. Et dixerunt ad eum: Quid faciemus tibi, et cessabit mare a nobis? quia mare ibat, et intumescebat.

12. Et dixit ad eos: Tollite me, et mittite in mare, et cessabit mare

*) Zij waren afkomstig uit landen en steden, die verschillende beschermgoden hadden.

6) Reeds vóór den storm had Jonas, door gewetenswroeging gekweld, de eenzaamheid gezocht. Nu lag hij, door vermoeidheid en droefgeestigheid afgemat, in diepen slaap. Vgl. Luc. XXII 45.

6) Daar de storm, ondanks het vereenigd gebed, steeds heviger werd, vermoedden de schepelingen, dat de godheid wellicht door een hunner zwaar

riepen, een ieder tot zijnen god*), en zij wierpen de have, die in het schip was, in de zee, om het daarvan te ontlasten; Jonas nu was naar het ruim van het schip afgedaald en sliep een diepen slaap6).

6. En de scheepsvoogd kwam tot hem en zeide hem: Wat zijt gij door slaap overmand? Sta op, roep uwen God aan, of wellicht God onzer indachtig zij en wij niet vergaan.

7. En een ieder sprak tót zijnen metgezel: Komt en laat ons het lot werpen, opdat wij weten, waarom dit ongeluk ons overkomt. En zij wierpen het lot; en het lot viel op Jonas6).

8. En zij spraken tot hem: Verklaar ons, om welke reden dit ongeluk ons overkomt: wat is uw bedrijf? welk is uw vaderland? en waarheen gaat gij? of uit welk volk zijt gij ?

9. En hij sprak tot hen: Een Hebreër7) ben ik, en ik vrees den Heer, den God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft.

10. En de lieden vreesden met groote vreeze8) en spraken tot hem: Wat hebt gij dit gedaan? (Want de lieden wisten, dat hij van het aangezicht des Heeren wegvluchtte, daar hij het hun had bekend gemaakt.)

11. En zij spraken tot hem: Wat zullen wij u doen, ten einde de zee bedare voor ons? Want de zee werd gaandeweg onstuimiger.

12. En hij sprak tot hen: Neemt mij op en werpt mij in de zee, en

beleedigd was en zich op die wijze wreekte. Volgens heidensch gebruik wilden zij den schuldige door het lot aanwijzen. God echter gebruikte dit middel om den schuldigen Jonas tot bekentenis te brengen.

') Deze naam werd alleen gebezigd, door vreemden of door Israëlieten,' die tot vreemden spraken. Vgl. Gen. XIV 18.

*) Want de God van Israël was om zijne wonderdaden hij de heidensche volken gevreesd.

Sluiten