Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ego cogito super familiam istam malum: unde non auferetis colla vestra, et non ambulabitis superbi, quoniam tempus pessimum est.

4. In die illa sumetur super vos parabola, et cantabitur canticum cum suavitate, dicentium: Depopulatione vastati sumus: pars populi mei commutata est: quomodo recedet a me, cum revertatur, qui regiones nostras dividat?

5. Propter hoe non erit tibi mittens funiculum sortis in coetu Domini.

6. Ne loquamini loquentes: Non stiUabit super istos, non comprehendet confusio.

7. Dicit domus Jacob: Numquid abbreviatus est spiritus Domini, aut tales sunt cogitationes ejus? Nonne verba mea bona sunt cum eo, qui recte graditur?

8. Et e contrario populus meus in adversarium consurrexit: desuper tunica pallium sustulistis: et eos, qui transibant simpliciter, convertistis in bellum.

•) Het door God bedreigde kwaad wordt als een zwaar juk gedacht, waaronder zij hun trotschen nek moeten krommen.

*) Hun ongeluk zal spreekwoordelijk worden en het onderwerp van een treurlied zijn.

*) Een uitroep van smart in den mond van Juda: Hoe zal het ongeluk van mij wijken, daar de overwinnaar gedurig terugkeert, om onze akkers onder zijne soldaten als buit te verdeelen. In het Hebr. luidt het treurlied: «Het is geschied! zal men zeggen — wij zijn overweldigd, geheel en al; het deel van mijn volk vervreemdt Hij; hoe ontgaat het mij! aan den afvallige (den heidenschen vijand) deelt Hij onze akkers uit».

") De profeet bevestigt, dat zij hunne bezittingen in Palestina zullen verliezen. Hij zinspeelt op de verdeeling des lands onder Josuë: de akkers waren toen door het meetsnoer opgemeten en in aandeelen of loten verdeeld in de gemeente van Gods volk.

Ik bedenk tegen dit geslacht een kwaad, waaraan gij uwe halzen niet zult onttrekken, en gij zult niet trots wandelen, want het is een allerrampzaligste tijd3). -

4. Te dien dage zal men over u een spreuk bezigen en met lust een lied zingen4), zeggende: Door ontvolking zijn wij verwoest; het deel van mijn volk is vervreemd; hoe zal het van mij wijken, daar hij terugkeert om onze akkers te verdeelen5).

5. Daarom zal er niemand zijn, die u het meetsnoer werpt op een lot in de gemeente des Heeren').

6. Spreekt niet, zeggende: Niet druppen zal hij op zulken, niet vatten zal de smaad7)!

7. Het huis Jacob zegt: Is dan des Heeren geest verkort of zijn zoodanig zijne gedachten? Zijn mijne woorden niet goedig voor hem, die rechtschapen wandelt8) ?

8. En integendeel is mijn volk als vijand opgetreden8): van boven het onderkleed weg hebt gij den mantel afgerukt; en hen, die argeloos voorbijgingen, hebt gij in den strijd gewikkeld.

') De valsche profeten spreken tot de ware god sgez anten: Op zulken, op de door God gezegende kinderen van Abraham, mag uwe dreigende profetie niet druppen (zie Amos VII noot 21), op hen zal de door u voorspelde smaad met vatten.

") God antwoordt aan het huis Jacob, dat, door valsche profeten verleid, de bedreigingen der godsgezanten afwijst met een beroep op Gods lankmoedigheid : mijne woorden zijn goedig, beloven zegen, maar alleen voor hen, die rechtschapen, overeenkomstig mijnen wil, leven. Vgl. Ps. XVII 26, 27.

9) Maar mijn volk is niet zóo gestemd, integendeel het is «gisteren nog» (Hebr.), d. i. tot in den jongsten tijd, als vijand tegen Mij opgetreden. Dit bewijst de profeet vervolgens uit verschillende in den jongsten tijd gepleegde gewelddadigheden: berooving van argeloos voorbijgaande volksgenooten, verdrijving van weduwen en weezen uit huis en erf.

Sluiten