Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

montes, et audiant colles vocem tuam.

2. Audiant montes judicium Domini, et fortia fundamenta tarra): quia judicium Domini cum populo suo, et cum Israël dijudicabitur.

3. Popule meus quid ieci tibi, aut quid molestus fui tibi? responde mihi.

4. Quia eduxi te de terra iEgypti, et de domo servientium liberavi te: et nÜ8i ante faciem tuam Moysen, et Aaron, et Mariam?

5. Popule meus memento quaeso quid cogitaverit Balach rex Moab, et quid responderit ei Balaam filius Beor, de Setim usque ad Galgalam, ut cognosceres justitias Domini. Num. XXII et XXIII.

6. Quid dignum offeram Domino? curvabo genu Deo excelso? numquid offeram ei holocautomata, et vitulos anniculos?

7. Numquid placari potest Dominus in millibus arietum, aut in multis millibus hircorum pinguium? numquid dabo primogenitum meum pro scelere meo, fructum ventris mei pro peccato anima? mea??

ten overstaan der bergen'), en laat de heuvelen uwe stem hooren!

2. Laat de bergen hooren het pleitgeding des Heeren, alsook de stevige grondvesten der aarde! Want een pleitgeding heeft de Heer met zijn volk en met Israël zal Hij in gericht treden.

3. Mijn volk, wat heb Ec u gedaan, of waarin ben Ec u lastig geweest? Antwoord Mjf4:j:

4. Immers3) heb Ik u uit Egypteland gevoerd, en uit het slavenhuis1) heb Ik u vrijgemaakt; en Ec heb voor uw aangezicht gezonden Moses en Aaron en Maria.

5., Mijn volk, gedenk toch, wat Balach, de koning van Moab, beraadslaagd, en wat hem geantwoord heeft Balaam, de zoon van Beor5), — van Setim tot aan Galgala — opdat gij zoudt erkennen de gerechtigheden des Heeren6)!

6. Wat zal ik den Heere waardig offeren? Zal ik de knie buigen voor den verheven God? Zal ik Hem opdragen brandoffers en eenjarige varren?

7. Kan de Heer verzoend worden door duizenden van rammen of door vele duizenden van vette bokken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijn misdrijf, de vrucht van mijnen schoot voor de zonde mijner ziel7)?

het volk en de profeet sprekend ingevoerd. Micheas begint in den vorm van een rechtsgeding tusschen Jehova en zijn volk. Op bevel van God roept hij Juda op, om in tegenwoordigheid van getuigen (heuvelen en bergen) rekenschap te doen van het gebruik van Gods weldaden.

*) d. i. ten aanhooren der bergen; zie v. 2. Immers zij waren door alle eeuwen getuigen geweest van Gods weldaden aan Israël, b. v. de Sinaï.

") Integendeel, God had aan zijn volk de verhevenste weldaden bewezen. Treffend is de toepassing dezer woorden in het Officie van Goeden Vrijdag bij de vereering van het H. Kruis.

_) Zoo heet Egypte Exod. XIII 3;

e) Balach of Balac wilde Israël doen vervloeken, maar Balaam antwoordde, op last van God, met een zegenwensch. Num. XXII—XXIV. , 8") Gedenk wat er geschied is van Setim, de eerste legerplaats des volks na de ontmoeting met Balaam (Num. XXV l)* tot aan Galgala, de eerste rustplaatiMfc» Chanaan. De profeet bedoelt dus de weldaden op den verderen tocht naar het Heilig Land. De gerechtigheden zijn de vele daden van Gods gerechtigheid, d. i. van Zijne liefdevolle trouw m het vervullen der beloften.

') Op de klacht van God over de ondankbaarheid van Israël antwoordt de profeet in naam van het volk, dat de mensch uit zichzelven niet in staat is aan God de verschuldigde hulde te

VII

Sluiten