Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Montes commoti sunt ab eo, et colles desolati sunt: et contremuit terra a facie ejus, et orbis, et omnes habitantes in eo.

6. Ante faciem indignationis ejus quis stabit? et quis resistet in ira furoris ejus? indignatio ejus effusa est ut ignis: et petrae dissolutse sunt ab eo.

7. Bonus Dominus, et confortans in die tribulationis: et sciens sperantes in se.

8. Et in diluvio praetereunte, consummationem faciet loei ejus: et inimicos ejus persequentur tenebraa.

9. Quid cogitatis contra Dominum? consummationem ipse faciet: non consurget duplex tribulatio.

10. Quia sicut spinae se invicem complectuntur, sic convivium eorum pariter potantium: consumentur quasi stipula ariditate plena.

11. Ex te exibit cogitans contra Dominum malitiam: mente pertractans praevaricationem.

5. De bergen hebben voor Hem gebeefd en de heuvelen zijn geslecht6); en gesidderd heeft het land voor zijn aangezicht, en het aardrijk en allen, die daarop wonen.

6. Wie zal voor net aanschijn zijner verbolgenheid standhouden? en wie zal weerstaan bij den toorn zijner gramschap? Zijn verbolgenheid is uitgegoten als vuur, en de rotsen zijn gesmolten voor Hem.

7. Goed is de Heer, en Hij geeft sterkte op den dag der verdrukking, en Hij kent die op Hem betrouwen7).

8. En in een overstelpenden watervloed zal Hij een einde maken aan die plaats; en zijne vijanden zal duisternis achtervolgen8).

9. Wat peinst gij tegen den Heer ? Hij, Hij zal er een einde aan maken; niet andermaal zal zich verheffen de verdrukking9).

10. Want gelijk doornen elkander omstrengelen, zoo is het gastmaal van die drinkgenooten; verteerd zullen zij worden als geheel uitgedorde stoppelen10).

11. Van u zal uitgaan die boosheid beraamt tegen den Heer, die in zijnen geest zint op misdrijf11).

*) Eene zinspeling op de verschijning van Gods majesteit bij Sinaï. Zie Mich. I 4.

') Gods wraak valt alleen op den verharden zondaar, want voor de zijnen is Hij goed en toont zijne ijverzucht door liefdebewijzen. Hij kent met werkdadige kennis. Dit blijkt vooral uit het wraakgericht tegen hunne verdrukkers (v. 8).

") Die plaats is het in v. 1 genoemde Ninive. Watervloed: zie II 6; de duisternis is het beeld van den haar dreigenden ondergang.

*). De profeet richt zich tot de kleingeloovigen van het aan Assyrië schatplichtige Juda, die om de toenmalige macht van Ninive konden twijfelen aan zijne voorspelling. Met nadruk verzekert hij hen, dat God een einde zal maken aan de macht van Assyrië, zoodat de verdrukking, d. i. het verdrukkende Assyrië, niet andermaal zich zal

verheffen ter mishandeling der volken.

u) De Assyriërs zijn thans nog doornen, die de volken wonden; maar ia Gods oog zijn zij reeds tot bundels ineengestrengeld, d. i. saamgebonden, om verbrand te worden. Met den tusschenzin zoo is het gastmaal enz. wordt wellicht gezinspeeld op de aan dronkenschap overgegeven en bij hunne gastmalen tegen de volken samenzwerende Assyriërs. In den grondtekst verklaart eene drievoudige vergelijking, dat de Assyriërs de gemakkelijke prooi zullen worden van Gods wraak: «Want zij zijn gelijk ineengevlochten doornstruiken en gelijk van hunnen wijn beschonkenen; als uitgedorde stoppelen zullen zij verteerd worden».

") Hebr.: «is uitgegaan». Bedoeld is de koning van Ninive, wiens voornaamste misdrijf was de verdrukking van Gods volk met verachting van Jehova.

Sluiten