Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

non decorabitur: qui dilatavit quasi infernus animam suam: et ipse quasi mors, et non adimpletur: et congregabit ad se omnes gentes, et coacervabit ad se omnes populos.

6. Numquid non omnes isti super eum parabolam sument, et loquelam aenigmatum ejus: et dicetur: Vae ei, qui multiplicat non sua? uaquequo et aggravat contra se densum lutum?

7. Numquid non repente consurgent qui mordeant te: et suscitabuntur lacerantes te, et eris in rapinam eis?

8. Quia tu spoliasti gentes multas, spoliabunt te omnes, qui reliqui fuerint de populis propter sanguinem hominis et iniquitatem terra?, civitatis, et omnium habitantium in ea.

9. Va? qui congregat avaritiam malam domui suae, ut sit in excelso nidus ejus, et liberari se putat de manu mali.

zijn en niet geëerd zal hij worden; die als de onderwereld zijne ziel heeft opgesperd, en hij is als de dood, en hij wordt niet verzadigd, en hij raapt naar zich alle natiën, en hij vergaart voor zich alle volken6).

6. Zullen niet alle dezen over hem een spreekwoord bezigen en een raadselspreuk op hem6)? En het zal heeten: Wee hem, die ophoopt wat niet het zijne is! Hoe lang nog? en hij stapelt tegen zich op dikke modder7).

7. Zullen niet plotselijk opstaan, die u bijten, en ontwaken, die u verscheuren, en zult gij hun niet ter plundering zijn8)?

8. Omdat gij vele natiën hebt uitgeplunderd, zullen u uitplunderen allen, die overig zijn van de volken, wegens de bloedschuld aan menschen en het onrecht aan het land, aan de stad en aan allen, die er in woonden9).

9. Wee hem, die vuil gewin bijeenraapt ten bate van zijn huis, opdat zijn nest in de hoogte zij, en die zich beveiligd waant voor de hand des kwaads10).

') De trotschheid der Chaldeërs wordt om de beneveling of de verblindheid des geestes, die daaruit volgt, passend vergeleken met de bij dit volk heerschende dronkenschap. In het tweede verslid schildert de profeet, onder het beeld van de onderwereld, die voordurend nieuwe slachtoffers vraagt, en van den immer verslindenden dood (vgl. Prov. XXX 16), hunne onverzadelijke hebzucht en heerschzucht. Deze drie ondeugden Zijn de oorzaak van hunnen val, die met eene rhetorische verzachting des te krachtiger wordt uitgedrukt: hy zal niet geëerd, maar in zijn ondergang diep veracht worden.

•) De verdrukte volken zullen eenmaal tegen hem opstaan (v. 7) en den geleden smaad vergelden door den gevallen tiran te beschimpen. Zij zullen hunnen spot kleeden in raadselspreuken, als achtten zij den vroeger gevierden naam van den wereldbeheerscher niet waardig genoemd of bezongen te worden.

*) Hoe lang nog zal die geweldenaar

rooven en plunderen ? Dikke modder, waarin hij zelf verzinken zal; eene passende benaming der onrechtvaardig opeengestapelde rijkdommen, die hem ten ondergang zullen strekken.

*) Hunne vroegere slachtoffers zullen zich wrekend tegen hen verheffen en als wilde dieren hen bijten en verscheuren.

") Die overig zijn van de door u verdrukte volken. Ook de Meden en Perzen, de uitvoerders van het wraakgericht, waren aan de Chaldeërs onderworpen geweest; vgl. Jer. XXV 29. Door het land en de stad worden waarschijnlijk Juda en Jerusalem bedoeld, want volgens Jer. L 11; LI 11; Is. XL1H 14 was het wraakgericht over Chaldea vooral de straf voor het onrecht aan Gods volk gepleegd.

10) De roofzuchtige Chaldeeuwsche vorst meende door zijne opgehoopte schatten zijn huis, d. i. zijn geslacht en zijn rijk, voor immer te bestendigen, en het, gelijk de arend zijn nest (vgl. Abd. 4), buiten het bereik der vijanden te plaatsen.

Sluiten