Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Loflied op God, den rechtvaardigen Rechter en den barmhartigen Verlosser.

i. Oratio Habacuc prophete i. Gebed van Habacuc, den pro ignorantiis. profeet, voor de onwetend¬

heden1)-

caput ra.

hoofdstuk III.

2. Domine audivi auditionem tuam, et timui.

Domine opus tuum in medio anno-

rum vivifica illud:

In medio annorum notum facies:

cum iratus fueris, misericordia)

recordaberis.-

3. Deus ab austro veniet, et sanctus de monte Pharan:

Operuit ccelos gloria ejus: et laudis ejus plena est terra.

4. Splendor ejus ut lux erit: cornua in manibus ejus:

Ibi abscondita est fortitudo ejus:

2. Heer, ik heb uwe uitspraak gehoord en ik ben bevreesd geworden2).

Heer, uw werk, maak het levend in het midden der jaren. Da het midden der jaren zult Gij het kenbaar maken3). Zijt Gij in toorn ontstoken, uwe barmhartigheid zult Gij indachtig wezen4).

3. God zal uit het zuiden komen, en de Heilige van het gebergte Pharan!

Zijne heerlijkheid heeft de hemelen overdekt, en van zijnen lof is de aarde vervuld5).

4. Zijn glans is als het licht, hoornen zijn in zijne handen;

Daar schuilt zijne sterkte*).

*) Het lied is een gebed, een biddende beschrijving van Gods komst tot verlossing van zijn volk. Voor de onwetendheden zal wel beteekenen voor zonden van onwetendheid; de Septuagint heeft: «een gebed met zang». Het Hebr.ï «al Sjigjonöt» beteekent, volgens sommigen, een bepaalde dichtsoort of zangwijze, volgens anderen, een zeker speeltuig.

*) Uwe uitspraak betreffende de tuchtiging van Gods volk en het wraakgericht over de Chaldeërs. Dit noemt de profeet aanstonds uw werk. Bevreesd voor de openbaring van Gods komende wraakgerichten.

*) De profeet bidt om bespoediging van het gericht, dat Gods Rijk op aarde zal voorbereiden. Maak levend, d. i. breng uw werk, een werk van bestraffing, maar ook van verlossing, ten uitvoer. In het midden der jaren door u bepaald (II 3), dus niet aan het einde van dat tijdperk, maar spoedig. De Septuagint vertaalt: «Gij zult U midden tusschen twee dieren doen kennen»; deze lezing, door de oude

Latijnsche vertaling gevolgd, is nog bewaard in de H. Liturgie.

•) De zin is: straf niet in uwen toorn volgens de maat der zonden, maar wees genadig.

s) De profeet ziet in zijn profetisch gezicht den Heer neerdalen ten gerichte, evenals weleer op Sinaï (vgl. Mich. I 3, 4). Het zuiden, Hebr. «Theman», in het zuiden van Edom (vgl. Amos 112), en Pharan, de woestijn tusschen Edom en Palestina, waren getuigen geweest van Gods wonderdaden tot straf der boozen en tot zegening der vromen. Zinspelend op Deut. XXXIII2, ziet Habacuc Gods majesteit uit diezelfde streken opdagen, omdat ook thans de gerechtigheid en de barmhartigheid in het godsgericht zullen schitteren. Bij Gods verschijning is de hemel geheel bedekt met zijne heerlijkheid, d. i. met zijnen glans, de aarde gansch vervuld met zijnen lof, d. i. met zijnen luister, die de schepselen opwekt tot lof. Hoedanig die heerlijkheid is, schildert het volgend vers.

6) Hoornen, d. i. lichthoornen of

Sluiten