Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Maledixisti sceptris ejus, capiti bellatorum ejus, venientibus ut turbo ad dispergendum me.

Exsultatio eorum sicut ejus, qui devorat pauperem in absoondito.

15. Yiam fecisti in mari equis tuis, in luto aquarum multarum.

16. Audivi, et conturbatus est venter meus: a voce contremuerunt labia mea.

IngrediatuT putredo in ossibuameis, et subter me scateat.

Ut requiescam in die tribulationis: ut ascendam ad populum accinotum nostrum.

17. Ficus enim non florebit: et non erit germen in vineis.

14. Gij vloekt zijne schepters, het hoofd zijner krijgers, hen die kwamen als een wervelwind om mij te verstrooien.

Hun gejubel was als van hem, die den arme verslindt in het verborgen18).

15. Eenen weg baant Gij door de zee voor uwe rossen, door het slijk van vele wateren19)!

16. Dc hoorde het en mijn binnenste werd ontroerd, voor de stem beefden mijne, lippen.

Laat het bederf in mijn gebeente doordringen en onder mij wriemelen,

Opdat ik rust hebbe op den dag der verdrukking, opdat ik moge opgaan naar ons toegerust volk20)!

17. Want de vijgeboom zal niet bloeien, en geene vrucht zal er zijn aan de wijnstokken.

tot redding van uw volk met uwen gezalfde, d. i. om uw volk en «uwen gezalfde te redden» (Septuagint). De gezalfde is het koninklijk huis van David, aan wien de belofte van een eeuwigdurend koningschap was gegeven. — In het tweede verslid het wraakgericht over Gods vijanden: Gij verplettert het hoofd, d. i. den koning en de gebieders, van het hui» óf van het goddelooze Chaldeeuwsche rijk. Van grondslag tot hals: een dubbel beeld, het Chaldeeuwsche rijk is als een huis, welks grondslagen worden blootgelegd ter vernieling, en is als een persoon, wiens* hoofd verpletterd en die van de voeten tot aan den hals van alles ontbloot wordt.

_18) Sterker nog klinkt hetzelfde vonnis: Gij vloekt zijne schepters, d. i. wijdt ten ondergang zijne vorstendommen en wingewesten, het hoofd enz., d. i. koning en aanvoerders en krijgers, die over Juda het ergste brachten, de wegvoering en ballingschap, als werd het door een wervelwind verstrooid; die daarbij overmoedig jubelden, wijl zij het arme Juda als in het verborgen, dus ongestraft, meenden te kunnen verslinden en vernietigen.

Zoo wordt dan een einde gemaakt aan den overheerscher van Juda. God zal opnieuw zijn volk uit de verdrukking verlossen en, zoo nocdig, de won¬

deren hernieuwen van den uittocht uit Egypte.

*") De profeet besluit (v. 16—19) en leert het volk, zich zelf ten voorbeeld stellend, in wat stemming van vrees en van hoop (zie v. 2) dit gericht moet worden afgewacht. De aankondiging van het komend wraakgericht doet den profeet sidderen, want zij bevat ook de tuchtiging van zijn zondig volk. Hij bidt namens het volk, dat die kastijding strekken moge tot heil en verlossing van Juda: Laat het lijden van Job over mij komen, zoodat het bederf tot in het merg mijner beenderen dringt en wormen onder mij wriemelen (een beeld van de ellende der ballingschap), opdat ik rust hebbe, d. i. van mijne rampen verlost worde, op den schrikvollen dag der verdrukking, d. i. des wraakgerichts over Chaldea, opdat ik dan moge opgaan naar ons toegerust volk, dat, door Gods goedheid weder krachtig geworden, terug zal keeren uit de ballingschap. Volgens den grondtekst drukt de profeet zijnen schrik uit voor de aanstaande tuchtiging van zijn volk, welke hij niet kan afwenden: «Het bederf dringt door in mijn gebeente en waar ik sta, beef ik, omdat ik zwijgend moet verdragen den dag der verdrukking, wanneer hij optrekken zal tegen het volk, die het zal aan. vallen».

Sluiten