Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quoniam attenuabo robur ejus. Is. XXXIV 11.

15. Haec est civitas gloriosa habitans in confidentia: quae dicebat in corde suo: Ego sum, et extra me non est alia amplius: quomodo facta est in desertum cubile bestiae? omnis, qui transit per eam, sibilabit, et movebit manum suam.

ster, de raaf op den bovendrempel ; want doen uitteren zal Ec zijne kracht18).

15. Dat is de pralende gtad, die woonde in zelfvertrouwen, die zeide in haar hart: Ec ben het en buiten mij is er geene andere meer14). Hoe is zij geworden tot woestijn, legerplaats van het wild? leder die langs haar voorbijgaat, zal sissen en schudden met zijne hand16).

CAPUT III.

HOOFDSTUK III.

Strafrede tegen het bedorven Jerusalem (v. 1—8). De nieuwe toekomst na net gericht: Jerusalem wordt de stad des Heeren en het middelpunt van het Rijk Gods onder de volken (v. 9—20).

1. Va» pro voca trix, et redempta civitas, columba.

2. Non audivit vocem, et non suscepit disciplinam: in Domino non est confisa, ad Deum suum non appropinquavit.

1. Wee over de godtergende en vrijgekochte stad, de duive1).

2. Zij hoorde niet naar de stem en zij nam de tucht niet aan; op den Heer heeft zij niet vertrouwd, tot haren God is zij niet genaderd2).

*•) Eene aanschouwelijke schildering van Ninive's verwoesting. Al de dieren der volken, d. i. der volksstammen van rondom, eene nadere bepaling der voorafgenoemde kudden; in den grondtekst is er waarschijnlijk sprake van kudden wilde dieren, die daar troepsgewijze zullen leven. Pelikaan en egel staan, evenals Is. XXXIV 11, naast elkander als voorbeelden van schuwe dieren: volgens den grondtekst verschuilen zij zich onder de ter aarde liggende kapiteelen der afgeknotte zuilen, die de paleizen omgaven. De stem des zangers, is het gehuil van den wind, het gekrijsch van uilen enz.; het is spottend gezegd. Het slot luidt in het Hebr.: «want (de vijand) heeft de cederen betimmering afgerukt». De bouwvallen bij Baalbek in Syrië maken ons aanschouwelijk, wat de profeet hier van Ninive voorspelt.

") De pralende, Hebr.: «de uitgelaten stad», altijd vol vreugde en gejubel over betaalde overwinningen. Ninive vereerde in zijne grenzenlooze hoovaardij zich zelf als 't ware als eene godheid; Isaias XLVII 7 legt dezelfde

woorden aan Babylon in den mond.

") Van verbazing over het vreeslijk godsgericht en van leedvermaak over den gevallen tiran.

') Wee over Jerusalem, dat God door zijne misdaden tergt, hoewel het door Hem zoo menigwerf was vrijgekocht uit de handen zijner vijanden, maar telkens als eene onvoorzichtige duive (vgl. Osee VII 11) zich liet verleiden tot afgoderij. In het Hebr. wordt de stad tegen God «weerspannig», door zonden «bezoedeld» en «gewelddadig» geheeten. Dit drievoudig verwijt wordt dan v. 2—4 toegelicht.

*) Jerusalem is eene weerspannige stad. Zij hoorde niet naar de stem der godsgezanten; zij nam niet aan de tucht van Gods wet. Werd zij door vijanden overvallen, dan vertrouwde zy niet op den Heer, maar op de hulp van heidensche volkeren. In plaats van God, haren God, die haar als zijne uitverkorene liefhad, te naderen, verwijderde zij zich van Hem, als van eenen vreemde.

Sluiten