Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. Et responderunt Angelo Domini, qui stabat inter myrteta, et dixerunt: Perambulavimus terram, et ecce omnis terra habitatur, et quiescit.

12. Et respondit Angelus Domini, et dixit: Domine exercituum usquequo tu non misereberis Jerusalem, et urbium Juda, quibus iratus es ? iste jam septuagesimus annus est.

13. Et respondit Dominus Angelo, qui loquebatur in me verba bona, verba consolatoria.

14. Et dixit ad me Angelus, qui loquebatur in me: Clama, dicens: Hsec dicit Dominus exercituum: Zelatus sum Jerusalem, et Sion zelo magno. Infra VIII2.

15. Et ira magna ego irascor super gentes opulentas: quia ego iratus sum parum, ipsi vero adjuverunt in malum.

16. Propterea hsec dicit Dominus: Revertar ad Jerusalem in misericordiis: et domus mea aedificabitur in ea, ait Dominus exercituum: et perpendiculum extendetur super Jerusalem.

11. En zij antwoordden den engel des Heeren, die tusschen de mirteboomen stond, en zeiden: Wij hebben de aarde doorwandeld, en zie, de geheele aarde is bewoond en zij is rustig12).

12. En de engel des Heeren antwoordde en zeide: Heer der heerscharen, hoe lang nog zult Gij U niet ontfermen over Jerusalem en over de steden van Juda, op welke Gij vergramd waart? dit is reeds het zeventigste jaar13).

13. En de Heer antwoordde aan den engel, die in mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden11).

14. En de engel, die in mij sprak, zeide tot mij: Roep uit en zeg: Dit zegt de Heer der heerscharen: Geijverd heb Dc voor Jerusalem en voor Sion met groote ijverzucht15).

15. En in felle gramschap ben Ik vergramd tegen de machtige volkeren ; want Ec was een weinig vergramd, maar zij hebben medegeholpen ten kwade16).

16. Daarom zegt dit de Heer: Ec zal mij weder wenden tot Jerusalem in ontferming; en mijn huis zal daar gebouwd worden, spreekt de Heer der heerscharen; en het meetsnoer zal uitgespannen worden over Jerusalem17).

") Er was bijgevolg nog niets te I zien van de beweging van volkerenen rijken, welke, volgens Agg. II 7, 8, de verlossing, de komst van het Messiasrijk moet aankondigen. Vandaar het gebed, dat dezelfde engel of de man op het rosse paard in v. 12 tot God richt.

13) Dé zeventig jaren der ballingschap (Jer. XXV 11; XXIX 10), die begonnen was in 606 bij de eerste wegvoering der Joden (Dan. 11), waren reeds lang, in 536 onder Cyrus, vervuld. Maar nu omstreeks 520 zuchtte stad en land nog onder de gevolgen van dat wraakgericht; eene meer volledige herstelling van het Godsrijk werd thans verwacht, nu er weldra zeventig jaren verloopen waren sinds de verwoesting van Jerusalem door de Chaldeërs.

") De profeet had het gebed van Michaël aangehoord en wellicht in zijne ziel met hem gebeden. Daarom antwoordde de Heer aan zijnen tolk goede woorden, die heerlijke beloften bevatten en vol vertroosting waren in de tegenwoordige beproeving. In v. 14—17 worden zij medegedeeld.

") Met luider stem moet de profeet dit goede woord verkondigen. Geijverd, zie Joël II noot 27.

ie) De volkeren, dienaren van Gods wraak tegen het zondige Juda, volbrachten met kwaadaardigen moedwil hunne lastgeving; dien moedwil zal God aan hen wreken.

") Als bewijs van Gods hernieuwde liefde voor zijn volk zullen tempel en stad weder herbouwd worden.

Sluiten