Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Adhucclama dicens: Hsec dicit Dominus exercituum: Adhuc affluent civitates mess bonis: et consolabitur adhuc Dominus Sion, et eliget adhuc Jerusalem.

18. Et levavi oculos meos, et vidi: et ecce quatuor cornua.

19. Et dixi ad Angelum, qui loquebatur in me: Quid sunt haec? et dixit ad me: Haec sunt cornua, quae ventilaverunt Judam, et Israël, et Jerusalem.

20. Et ostendit mihi Dominus quatuor fabros.

21. Et dixi: Quid isti veniunt facere? Qui ait, dicens: Haec sunt cornua, quae ventilaverunt Judam per singulos viros, et nemo eorum levavir caput suum: et venerunt isti deterrere ea, ut dejiciant cornua gentium, quae levaverunt cornu super terram Juda ut dispergerent eam.

17. Roep nogmaals uit en zeg: Dit zegt de Heer der heerscharen: Weder zullen mijne steden overvloeien van het goede; en weder troosten zal de Heer Sion, en weder uitverkiezen zal Hij Jerusalem18).

18. En ik hief mijne oogen op en ik zag: en zie, vier hoornen19).

19. En ik zeide tot den engel, die in mij sprak: Wat zijn dit? En hij zeide tot mij: Dit zijn de hoornen, die Juda en Israël en Jerusalem verstrooid hebben.

20. En de Heer toonde mij vier smeden*0).

21. En ik zeide: Wat komen dezen doen? En hij sprak, zeggende: Dit zqn de hoornen, welke Juda verstrooid hebben, man voör man, en niemand hunner hief zijn hoofd op*1); en dezen zijn gekomen om die te verschrikken*2), opdat zij nederwerpen de hoornen der volkeren, die den hoorn verheven heb? ben tegen het land van Juda om het te verstrooien.

CAPUT II.

HOOFDSTUK II.

Derde gezicht: Jerusalem zal herbouwd worden en zonder muren zijn (v 1—5) Vergelding aan zijne vijanden (v. 6—9). Geluk en heerlijkheid der stad (v. 10—18).

1. Et levavi oculos meos, et vidi: et ecce vir, et in manu ejus funiculus mensorum.

") In^ mijne steden spreekt Gods liefde. Hij zal Jerusalem tot zijne woonplaats uitverkiezen.

") In een nieuw gezicht ziet hij de in_ v. 15 beloofde wraak over Juda's vijanden. Hoornen zijn zinnebeelden van macht en sterkte (vgl. Amos VI 14; Jer. XLVHI 25) en hier bepaaldelijk van vijandelijke wereldrijken (vgl. Dan. VJX .7—24; VIII 3—21). Het getal vier is waarschijnlijk eene zinspeling op de vier rijken en de vier dieren van Dan. II en VII.

w) Zinnebeelden der uitvoerders van

1. En ik hief mijne oogen op en ik zag: en zie, een man, en in zijne hand een meetsnoer1).

Gods wraakgericht over die vijandige volken. B

f1) Zij hebben geheel Juda in ballingschap verstrooid en zoo diep vernederd dat niemand uit Juda zijn hoofd ophief, maar ieder het moedeloos liet hangen.

") Dezen, de smeden, zijn gekomen om die, de hoornen, d. i. de machtige, Hebr.: «de geruste* volkeren van v. 15, op te schrikken uit hunne gerustheid.

,') Dit derde profetische gezicht stelt de voltooiing voor van de stad Gods: in een levendig, dramatisch tafereei

Sluiten