Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lapidibus funda»: et bibentes inebriabuntur quasi a vino, et replebuntur ut phialae, et quasi cornua altaris.

16. Et salvabit eos Dominus Deus eorum in die illa, ut grcgem populi sui: quia lapides sancti elevabuntur super terram ejus.

17. Quid enim bonum ejus est, et quid pulchrum ejus, nisi frumentum electorum, et vinum germinans virgines?

slinden en ten onder brengen met

simgersteenen; en drinkend zullen zij dronken worden als van wijn, en Zij zullen gevuld worden als rfa

offerschalen en als de hoornen des

altaars18).

16. En redden zal hen de Heer, hun God, te dien dage, als de kudde zijns volks; want heilige steenen zullen verheven zijn op zijn land19).

17. Want wat is zijn goed en wat zijne schoonheid, zoo niet de tarwe der uitverkorenen en de wijn, die maagden kweekt80)?

CAPÜT X.

HOOFDSTUK X.

Ood, de eenige bron van geluk, eal het huis Juda en Ephraïm herstellen.

1. Petite a Domino pluviam in tempore serotino, et Dominus faciet nives, et pluviam imbris dabit eis, singulis herbam in agro.

2. Quia simulacra locuta sunt inutile, et divini viderunt mendacium, et somniatores locuti sunt frustra: vane consolabantur: idcirco abducti

*) Verslinden, d. i. als een verterend vuur zijn voor de vijanden. Dronken worden van het vergoten bloed. De vergelijking met de offerschalen des tempels, waarin het bloed der offerdieren werd opgevangen, en met de hoornen des altaars, die met het offerbloed werden bestreken, geeft te kennen, dat het heilige, voor God gestreden oorlogen zijn: ook dit past op den strijd der Machabeërs.

") De Heer is de goede herder zijner uitverkoren kudde. Voor het land des Heeren hadden zij gestreden en met goed gevolg: vfvat heilige steenen zullen verheven zijn op het land des Heeren, waarschijnlijk grenssteenen, die het land van Jehova zullen afscheiden van het land der heidenen. Sommigen vertalen het Hebr.: «want steenen van de koningskroon zijn zij, fonkelend op zijn

1. Bidt den Heer om regen ten tijde van den laten regen; en de Heer zal sneeuw verwekken, en regenbuien zal Hij hun geven, aan een iegelijk gewas op het veld1).

2. Want de afgodsbeelden spraken beuzeltaal, en de waarzeggers zagen logen, en de droomers spraken nuttelooze dingen, ijdelen troost gaven

land»; m. a. w. het uitverkoren volk zal zijn als edelgesteenten, fonkelende in een koningskroon.

M) Het goed en de schoonheid of de welvaart van Gods uitverkoren volk is de overvloed aan tarwe en wijn, een zinnebeeld der geestelijke gaven. Hebr.: «Want hoe gelukkig is het (volk) en hoe schoon is het! De tarwe doet jongelingen en de most maagden groeien!» Treffend schoon is de toepassing dezer woorden op het Allerheiligste Sacrament.

*) De belofte van IX 17 geeft aanleiding tot deze vermaning: alleen van Jehova, niet van de dwaze afgoden (v. 2) mogen zij vruchtbaarheid verwachten. De late regen, zie Joël II noot 36. De Heer zal sneeuw, Hebr. «donderbuien», verwekken.

vn

Sluiten