Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

irritum facerem fcedus meum, quod percussi cum omnibus populis.

11. Et in irritum deductum est in die illa: et cognoverunt sic pauperes gregis, qui custodiunt mihi, quia verbum Domini est.

12. Et dixi ad eos: Si bonum est in oculis vestris, afferte mercedem meam: et si non, quiescite. Et appenderunt mercedem meam triginta argenteos. Matth. XXVII 9.

13. Et dixit Dominus ad me: Projice illud ad statuarium, decorum pretium, quo appretiatus sum ab eis. Et tuli triginta argenteos: et projeci illos in domum Domini ad statuarium.

14. Et prajcidi virgam meam secundam, iraae appellabatur Funiculus, ut dissolverem germanitatem inter Judam et Israël.

') Daar de profeet in naam van God hier optreedt, zegt hij, dat hij door een verbond met de volken, evenals Osee II 18, aan de kudde veiligheid en welvaart naar buiten verzekerd had. Dat verbond, zinnebeeldig voorgesteld door den staf «Lieflijkheid» (zie noot 5), verbrak hij en leverde hiermede de kudde over aan de vijanden. Hiermede schijnt de profeet te zinspelen op de reeds geleden straf der ballingschap.

8) Dit was de vrucht der tuchtiging. De zich van hunne ellende bewuste nederigen, die, los van het aardsche, op God hunne blikken van geloof en vertrouwen vestigden, erkenden in die straf de vervulling van het woord des Heeren.

8) Tot de ook nu nog weerspannige schapen. Hij beproeft een ander middel om hen tot inkeer te brengen.

10) De herder vraagt zijn loon, want hij zal ophouden hen te weiden. Zoo' dwingt hn' hen na te denken over de hun bewezen weldaden en zijn herderlijke zorg naar waarde te schatten. Maar in hun hardnekkigen onwil betalen zij hem den prijs van een slaaf (Exod. XXI 32), dien zij, volgens oud gebruik (Gen. XXIII16), toewegen. — wat de profeet in den geest hier deed

ten einde mijn verbond te verbreken, dat ik gesloten had met alle volken7).

11. En verbroken werd het op dien dag; en aldus erkenden de ellendigen der kudde, die op mij acht geven, dat het des Heeren woord was8).

12. En ik zeide tot hen9): Indien het goed is in uwe oogen, brengt mijn loon; en zoo niet, laat het! En zij wogen mijn loon toe, dertig zilverlingen10).

13. En de Heer zeide tot mij: Werp dat weg voor den beeldmaker, den schoonen prijs, waarop Ec gewaardeerd ben door hen. En ik nam de dertig zilverlingen; en ik wierp ze in het huis des Heeren ▼oor den beeldmaker11).

14. En ik brak mijn tweeden staf, die Bindsnoer heette, ten einde de broederschap te verbreken tusschen Juda en Israël12).

en ondervond, was een zinnebeeld der werkelijkheid. Want Jehova was eerst door de wet en door de profeten de Herder van Israël; later kwam Hij als het menschgeworden Woord in zijn eigendom en de zijnen hebben Hem niet aangenomen; want de weerspannige Synagoog waardeerde haren Messias op dertig zilverlingen.

") Beeldmaker of beeldbakker, pottenbakker, wat ook het Hebr. woord volgens de punctuatie der Massoreten beteekent. volgens eene andere Hebr. lezing, welke door de Syrische vertaling gevolgd is, moet de profeet dat loon wegwerpen voor den tempelschat. Beide opvattingen zijn waarschijnlijk. Vgl. Matth. XXVII 3—10, waar de opperpriesters het geld, dat Judas voor den tempelschat bestemd had, besteedden om den akker van den pottebakker te koopen. De Heer zegt: waarop Ik gewaardeerd ben; Hij zelf is dus inderdaad de door Zacharias zinnebeeldig voorgestelde Herder.

**) Door de verwerping van den Messias werd de laatste band tusschen Jehova en zijn volk verscheurd en de broederschap, d. i. de burgerlijke en godsdienstige eenheid van het uitver-

Sluiten