Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prophetia Malachise.

CAPUT I.

HOOFDSTUK I.

Inleiding: de voorliefde des Heeren jegens Israël (v. 2—S). Klacht over de nalatigheid der priesters; voorspelling van het onbloedig offer des Nieuwen Verbonds (v. 6—14).

NUS verbi Domini ad Israël in manu Malachise.

2. Dilexi vos, dicit Dominus. et dixi-

stis: In quo dilexisti nos? Nonne frater erat Esau Jacob, dicit Dominus, et dilexi Jacob, Rom. IX 13.

3. Esau autem odio habui? et posui montes ejus in solitudinem, et hereditatem ejus in dracones deserti.

AST van het woord des Heeren tot Israël door de bediening van Malachias1).

2. Ik heb u liefgehad, zegt de Heer;

en gij zeidet: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was niet Esau de broeder van Jacob? zegt de Heer; en heb Dc niet Jacob liefgehad, 3. maar Esau gehaat? En Ec heb zijne bergen gesteld tot eene wildernis en zijn erfdeel voor de draken der woestijn*).

») Last, zie Nah. I 1; van het woord, zie Zach. IX 1.

2) Gij 'zeidet: Waarin enz. Deze vraag, die de profeet aan het volk in den mond legt, behoort tot de eigenaardigheden van zijn stijl (zie Inleiding); waarschijnlijk koos de profeet hier dezen vorm om te kennen te geven, dat Israël ondankbaar Gods weldaden vergeet en alleen het oog vestigt op zijne tegenwoordige ellende. De profeet antwoordt met de volgende wedervragen: Was niet enz. Gods voorliefde voor Israël blijkt uit de vergelijking zijner handelwijze jegens de tweelingbroeders Jacob en Esau, die hier beiden vooral als stamvaders in hunne nazaten beschouwd worden. Evenmin als Jacob boven Esau eenigen titel van recht of verdienste kon doen gelden, waarom hij, die niet eens. de eerstgeborene was, reeds vóór zijne geboorte door God werd bestemd tot stamvader van het uitverkoren volk,

evenmin had het volk van Israël verdiend, dat God het zijne liefde toonde; integendeel het was schuldig voor God, zoo goed als het broedervolk, dat uit Esau was ontsproten. Dit volk nu is door God gehaat om zijne afgoderij en andere misdaden ; die haat van God had zich getoond m de verwoesting van Esau's bergachtig land (Abd. noot 3), welker gevolgen niet weggenomen waren en nimmer zullen hersteld worden (v. 4). Bijgevolg wil de profeet Gods liefde jegens het schuldige volk van Jacob krachtens de tegenstelling inzonderheid doen blijken uit de genadige herstelling na de ballingschap. Er is dus in deze tekstwoorden geen sprake van eenige predestinatie of voorbeschikking tot de hemelsche glorie of tot de straffen der hel. Welke typische beteekenis opgesloten ligt in dien gerechten haat van God tegen Esau en in die onverdiende voorliefde voor Jacob, leert de H. Paulus Rom. IX 13—18.

Sluiten