Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Tune locuti sunt timentes Dominum, unusquisque cum proximo suo: et attendit Dominus, et audivit: et scriptus est liber monumenti coram eo timentibus Dominum, et cogitantibus nomen ejus.

17. Et erunt mihi, ait Dominus exercituum, in die, qua ego facio, in peculium: et parcam eis, sicut parcit vir filio suo servienti sibi.

18. Et convertemini, et videbitis quid sit inter justum, et impium: et inter servientem Deo, et non servientem ei.

16. Alsdan hebben zij, die den Heer vreezen, gesproken, een ieder tot zijnen naaste; en de Heer luisterde en heeft het gehoord; en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven voor wie den Heer vreezen en zijnen naam gedenken15).

17. En zij zullen Mij zijn, spreekt de Heer der heerscharen, ten dage dat Ik het doe, ten eigendom; en Ec zal hen sparen, gelijk een man zijnen zoon spaart, die hem dient16). 18j En gij zult u wenden en zien1'), wat onderscheid er is tusschen den rechtvaardige en den goddelooze, tusschen dengene, die God dient, en dengene, die Hem niet dient.

CAPUT IV.

HOOFDSTUK IV.

De dag des Heeren voor de goeden en de kwaden (v. 1—8). Slotvermaning (v. 4). De komst van Elias (v. 6—6).

1. Ecce enim dies veniet succensa quasi caminus: et erunt omnes superbi, et omnes facientes impietatem stipula: et inflammabit eos dies veniens, dicit Dominus exercituum, quae non derelinquet eis radicem, et germen.

1. Want zie, de dag zal komen, ontstoken als een oven; en alle hoovaardigen en allen, die goddeloosheid bedrijven, zullen zijn als stoppelen; en in vlam zetten zal hen de komende dag, zegt de Heer der heerscharen; en die zal hun overlaten wortel noch tak1).

") Tegenover de morrenden stelt de profeet de godvreezenden, die, geërgerd door die godlasterende taal, tot elkander spreken, raad houden om middelen te beramen tegen die ergernis. De Heer aanhoorde dat met welgevallen. Het beeld der opteekening in een, voor het aanschijn des Heeren liggend, gedenkboek is ontleend aan de gewoonte der koningen, die de namen van degenen, welke zich voor hen verdienstelijk hadden gemaakt, in een boek lieten Opschrijven, om hen te zijnen tijde te beloonen; vgl. Ps. LV 9 naar het Hebr.; Esth. VI 1; Dan. VII 10.

l6) Ten dage, dat Ik het doe, d. i. dat Dc gericht zal houden; dan zal Ik die godvreezenden als mijn eigendom

(Exod. XIX 5), als mijn uitverkoren geslacht met vaderlijke liefde en medelijden sparen.

") Eene Hebr. zegswijze: gij zult wederom zien, wat reeds zoo dikwerf, b. v. in het strafgericht over Sodoma, klaarblijkelijk was, thans echter bij den tegenspoed der vromen en de welvaart der goddeloozen niet meer scheen te bestaan, te weten, wat onderscheid enz.

*) De dag des Heeren, waarop Hij gericht oefent over de goddeloozen. Zulk een dag des gerichts was inzonderheid voor de Joden de dag van wraak, waarop de Romeinen den Joodschen staat geheel en al vernietigden;

Sluiten