Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«der Seleuciden» of «d«*iGrieken», maar zich, evenals anderen te dien tijde, omtrent het beginletter tijdrekening op een verschillend standpunt plaatsen. Seleucus namelijk, een der veldheer en van Alexander den Groote, veroverde Syrië en Babylonië in 312 vóór Christus. Daarvan uitgaande rekenden de Syriërs het jaar 312, de Babyloniërs daarentegen het jaar 311 vóór Christus als het eerste jaar van de tijdrekening der Seleuciden; daarbij kwam nog, dat destijds het jaar niet overal met dezelfde maand begonnen werdï Nu beschouwde, naar men nagenoeg algemeen aanneemt, de Schrijver van I Mach. het jaar 312 als het eerste jaar, maar het is onzeker, of hij de lentemaand Nisan, naar de isijze der Joden, dan wel de herfstmaand Tisjri, naar de wijze der Syriërs, als de eerste maand van het jaar rekende. De schrijver van het Tweede Boek rekende daarentegen, naar algemeen aangenomen wordt, de herfstmaand Tisjri als eerste van het jaar, maar het blijkt niet, Of hij het jaar 312 vóór Chr. dan wel 311 als eerste jaar van de tijdrekening der Seleuciden beschouwde. Daar nu omtrent den eersten dag van het eerste jaar dier tijdrekening tusschen beidë manieren van tellen een verschil kan zijn van zes, twaalf of zelfs achttien maanden, is het niet te verwonderen, dat de twee schrijvers, van een verschillenden dag uitgaande, voor een en hetzelfde feit een verschillend jaar opgeven zonder daarom met elkander in tegenspraak te komen.

Is dus het historisch gezag van de beide Boeken der Machabeën onaantastbaar, niet minder zeker blijkt uit getuigenissen, die van de tweede eeuw dagteekenen, dat beide van den beginne onder de boeken gerekend werden, aan welke door de H. Kerk goddelijk gezag wórdt toegekend. Dat beide boeken zich ook in den Canon der Alexandrijnsche Israëlieten bevonden en bij de Palestijnsche in de hoogste eere werden gehouden, kan wél moeielijk betwist worden, en zoo heeft dan het Yaticaansch Concilie, overeenkomstig het getuigenis der Kerk gedurende alle eeuwen en op het voetspoor van het Concilie van Trente, met het volste recht beide boeken genoemd onder het getal dergene, die onder Gods bijzondere ingeving geschreven zijn.

De Hebreeuwsche tekst van het Eerste Boek der Machabeën werd allerwaarschijnlijkst reeds vroegtijdig in het Grieksch vertaald; immers die vertaling werd reeds door Flavius Josephus gebruikt en door de Hellenisten in hunnen Canon opgenomen. Naar die Grieksche vertaling werd de Syrische en die der Itala bezorgd. Deze laatste werd met de Latijnsche vertaling van het Tweede Boek uit de Itala in de Vulgata overgenomen.

Buiten deze twee boeken bestaan er nog twee andere, het Derde en Vierde Boek der Machabeën genoemd. Het Derde bevat een verhaal der aanslagen van Ptolemeüs IV Philopator tegen den tempel te Jerusalem en de Israëlieten van Egypte; het Vierde verhaalt eenigszins uitvoeriger en met eenig verschil in de bijzonderheden de geschiedenis van Eleazar en die van de zeven broeders, waarvan in het Tweede Boek melding gemaakt wordt. Geen van beide boeken wordt door de H. Kerk als goddelijk erkend.

Met het Eerste en Tweede Boek der Machabeën wordt dus de reeks der door God ingegeven geschiedkundige boeken van het Oude Verbond

Sluiten