Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rentur legem, et immutarent omnes j justüicationes Dei.

52. Et quicumque non fecissent secundum verbum regis Antiochi, morerentur.

53. Secundum omnia verba haec j scripsit omni regno suo: et praepo- i suit principes populo, qui hsec fieri ccgerent.

54. Et jusserunt civitatibus Juda sacrificare.

55. Et congregati sunt multi de j populo ad eos, qui dereliquerant I legem Domini: et fecerunt mala ! super terram:

56. Et effugaverunt populum Is- I rael in abditis, et in absconditis fugitivorum locis.

57. Die quintadecima mensis Cas- j leu, quinto et quadragesimo et centesimo anno aedificavit rex An- i tiochus abominandum idolum desolatdonis super altare Dei, et per universas civitates Juda in circuitu aedificaverunt aras:

58. Et ante januas domorum, et in plateis incendebant thura, et sacrif icabant:

59. Et libros legis Dei combusserunt igni, scindentes eos:

60. Et apud quemcumque inveniebantur libri testamenti Domini, et

") In plaats van de door God ge- | geven voorschriften, zedenwetten en godsdienstige plechtgebruiken die van het heidendom betrachten.

S8) In 168 v. Chr.; de maand Casleu viel in November-December. Blijkens v. 62 werden tien dagen daarna en vervolgens telkens op den 25*n van elke maand offers opgedragen. Het afgodsbeeld was wellicht dat van Jupiter, daar Antiochus (vgl. II Mach. VI2) beval den tempel naar dien afgod te noemen. De Septuagint heeft alleen «zij bouwden een gruwel der verwoesting», waardoor dan wel een altaar bedoeld wordt; Fl. Josephus zegt, dat Antiochus op het altaar van den tempel een kleiner al-

m alle instellingen Gods veranderen37).

52. En allen, die niet naar het bevel van koning Antiochus handelden, zouden moeten sterven.

53. Overeenkomstig al die woorden schreef hij aan geheel zij n rijk; en hij stelde over het volk oversten aan, die tot uitvoering daarvan zouden dwingen.

54. En dezen gaven aan de steden van Juda bevel offers op te dragen.

55. En er sloten zich velen uit het volk aan bij degenen, die de Wet des Heeren hadden verlaten; en zij pleegden boosheden in het land,

56. en zij deden het volk Israël vluchten naar verscholen plaatsen en naar schuilhoeken voor vluchtelingen.

57. Den vijftienden dag der maand Casleu, in het jaar honderd vijf en veertig, plaatste koning Antiochus een afschuwelijk afgodsbeeld der verwoesting op het altaar Gods, en rondom in alle steden van Juda bouwdo men altaren88),

58. en voor de deuren der huizen en op de straten brandde men wierook en droeg men offers op89);

59. en men verbrandde in het vuur de boeken der Wet Gods40), die men verscheurde.

60. En een ieder, bij wien boeken van het Verbond des Heeren gevon-

taar deed plaatsen en daarop varkens liet slachtofferen. Vgl. v. 50 en 62. Een afgod of gruwel der verwoesting is hetzelfde als een verwoestende gruwel (De uitdrukking komt ook voor Dan. XI 31 en XII 11). Door het plaatsen van een afgodsbeeld, een gruwel in het oog van God en van den waren Israëliet, werd de tempel ontheiligd, door God verlaten en dientengevolge ook als verwoest, daar hij niet meer door de vrome Israëliëten kon bezocht worden.

S9) Ter eere der beschermgoden van huizen, straten en steden.

•") De boeken van Moses en de oveI rige heilige boeken.

Sluiten