Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT II. HOOFDSTUK IL

Smart van Mathathias over de rampen van stad en volk (v. 1—14). Hij weigert de Wet te overtreden (v. 15—22), doodt twee afgodendienaar» (v. 28—26) en roept alle vromen op om hem te volgen naar het gebergte (v. 27—28). Velen, die naar de woestijn gevlucht waren, worden door de heidenen op een sabbatdag aangevallen en omgebracht fv. 29—88). Mathathias en de zijnen besluiten weerstand te bieden; alle vromen sluiten zich bij hen aan; zij herstellen den voorvaderlijken eeredienst fv. 39—48). Laatste raadgevingen en dood van Mathathias fv. 49—70).

1. In diebus illis surrexit Mathathias filius Joannis, filii Simeonis, sacerdos ex filiis Joarib ab Jerusalem, et consedit in monte Modin:

2. Et habebat filios quinque, Joannem, qui cognominabatur Gaddis:

3. Et Simonem, qui cognominabatur Thasi:

4. Et Judam, qui vocabatur Machabseus:

5. Et Eleazarum, qui cognominabatur Abaron: et Jonathan, qui cognominabatur Apphus.

6. Hi viderunt mala, qua? fiebant in populo Juda, et in Jerusalem.

7. Et dixit Mathathias: Va? mihi, ut quid natus sum videre contritionem populi mei, et contritionem oivitatis sanctae, et sedere illic, cum datur in manibus inimicorum?

8. Sancta in manu extraneorum

1. In die dagen stond Mathathias op, de zoon van Joannes, den zoon van Simeon, een priester uit de zonen van Joarib, van Jerusalem, en vestigde zich op den berg Modin1).

2. En hij had vijf zonen: Joannes, die bijgenaamd werd Gaddis1),

3. en Simon, die bijgenaamd werd Thasi,

4. En Judas, die de Machabeër genoemd werd,

5. en Eleazar, die bijgenaamd werd Abaron, en Jonathas, die bijgenaamd werd Apphus.

6. Dezen zagen de boosheden, die geschiedden onder het volk Juda en in Jerusalem.

7. En Mathathias zeide: Wee mij! Waarom ben ik geboren om de verplettering van mijn volk en de vergruizing der heilige stad te zien, en aldaar gezeten te zijn*), terwijl zij aan de handen der vijanden overgeleverd is?

8. Het heiligdom is in de hand

l) Mathathias, d. i. geschenk van God, behoorde tot de familie van Joarib, die de eerste afdeeling der priesterschap uitmaakte, in hoog aanzien stond en door Eleazar van Aaron afstamde. Sommigen voegen van Jerusalem bij Joarib en vertalen: Mathathias «trad op» en «hij woonde» te Modin. Intusschen schijnt men uit de Vulgaat v. 7 en 15 te moeten opmaken, dat Mathathias. den toestand te Jerusalem ondraaglijk vond en zich daarom, evenals vele anderen, te Modin vestigde, waar de graven zijner vaderen waren (v. 70). Vgl. echter noot 6. Modin, volgens v. 15 eene stad, waarschijnlijk

heden El-Medijeh, lag op eene hoogte, niet ver van Lydda of Diospolis.

*) De beteekenis van Gaddis en Thasi (v. 3) is niet met zekerheid te bepalen ; mogelijk beteekent het eerste: de gelukkige of de bedrogene; het tweede: de vurige of de verstandige. Over den bijnaam Machabeër (v. 4) zie de Inleiding bl. 247. De beteekenis van Abaron (v. 5), Gr.: «Avaron», is onzeker; misschien is het zooveel als: de doorsteker. Apphus (v. 5) beteekent: de listige.

*) Namelijk: werkeloos, zonder iets te kunnen doen om al dat kwaad te beletten.

Sluiten