Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altare, et sanctuarium sicut prius iratse sunt valde:

2. Et cogitabant tollere genus Jacob, qui erant inter eos, et cceperunt occidere de populo, et persequi.

3. Et debellabat Judas filios Esau in Idumaea, et eos, qui erant in Acrabathane: quia circumsedebant Israelitas, et percussit eos plaga magna.

4. Et recordatus est malitiam filiorum Bean, qui erant populo in laqueum, et in scandalum, insidiantes ei in via.

5. Et conclusi sunt ab eo in turribus, et applicuit ad eos, et anathematizavit eos, et incendit turres eorum igni cum omnibus, qui in eis erant.

6. Et transivit ad filios Ammon, et invenit manum fortem, et populum copiosum, et Timotheum ducem ipsorum:

7. Et commisit cum eis prcelia multa, et contriti sunt in conspectu eorum, et pereussit eos:

8. Et cepit Gazer civitatem, et

hoorden, dat het altaar en het heiligdom opgebouwd waren zooals weleer, in hevigen toorn ontstaken.

2. En zij waren er op bedacht de nakomelingen van Jacob, die zich onder hen bevonden, uit den weg te ruimen, en zij begonnen er uit het volk te dooden en te vervolgen.

3. En Judas beoorloogde de zonen van Esau in Idumea en die in Acrabathane waren, omdat zij de Israëlieten benauwden, en hij bracht hun een zware nederlaag toe1).

4. En hij herinnerde zich de boosheid der kinderen van Bean, die het volk tot een valstrik en tot aanstoot waren, doordien zij het op den weg belaagden3),

5. en zij werden door hem in de torens ingesloten, en hij legerde zich tegenover hen, en hij sprak den banvloek*) over hen uit en hij stak hunne torens in brand met allen, die er in waren.

6. En hij trok door naar de kinderen van Ammon en vond een sterke legermacht en een talrijk volk met Timotheüs als hun veldheer5),

7. en hij leverde hun vele veldslagen en zij werden voor hun aanschijn verpletterd en hij versloeg hen;

8. ook vermeesterde hij de stad

allen te gelijk aangevallen worden, dan moest hij hen voorkomen en ieder van hen afzonderlijk in zijn eigen land gaan beoorlogen.

*) De Vulgaat maakt hier onderscheid tusschen de zonen van Esau in Idumea en die van Acrabathane; het Grieksch en de Syrische vertaling hebben: «Judas streed tegen de zonen van Esau, in Idumea, het Acrabathijnsche». Het gebied der Idumeërs strekte zich destijds uit over zuidelijk Judea met inbegrip van Hebron (vgl. v. 65). Acrabathane ontleende zijnen naam aan den «Opgang van Acrabbim» of bergpas der schorpioeuen (vgl. Num. XXXIV 4; Judic. I 36), en lag ten zuidwesten der Doode Zee. De Idumeërs konden van daar uit gemakkelijk strooptochten in Judea houden en daar¬

door de Israëlieten benauwen.

*) De zonen van Bean waren, naar het schijnt, nomaden, die van roof leefden en zich (v. 5) torens of verschansingen gebouwd hadden om daar het geroofde in veiligheid te brengen. Waarschijnlijk woonden zij ten oosten der Doode Zee, daar Judas hen opzocht op zijnen tocht van Idumea naar het land der Ammonieten.

*) Den «cherem», ten gevolge van welken zij moesten uitgeroeid worden (vgl. Lev. XXVII noot 13).

') De Ammonieten woonden ten noordoosten der Doode Zee. Of Timotheüs een Ammoniet dan wel een vreemdeling was, is onbekend; intusschen wordt hij hier als een veldheer van naam vermeld. Zie II Mach. X noot 18 en XII noot 1.

Sluiten