Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Et quia qui erant apud Helladam, voluerunt ire, et tollere eos: et innotuit sermo his,

10. Et miserunt ad eos ducem unum, et pugnaverunt contra illos, et ceciderunt ex eis multi, et captivas duxerunt uxores eorum, et filios, et diripuerunt eos, et terram eorum possederunt, et destruxerunt muros eorum, et in servitutem illos redegerunt usque in' hunc diem:

11. Et residua regna, et insulas, qua aliquando restiterant illis, exterminaverunt, et in potestatem redegerunt.

12. Cum amicis autem suis, et qui in ipsis requiem habebant, conservaverunt amicitiam, et obtinuerunt regna, qua? erant proxima, et qua? erant longe: quia quicumque audiebant nomen eorum, timebant eos.

13. Quibus vero vellent auxilio esse ut regnarent, regnabant: quos autem vellent, regno deturbabant: et exaltati sunt valde.

14. Et in omnibus istis nemo portabat diadema, nee induebatur purpura, ut magnificaretur in ea.

9. En degenen, die tot Griekenland behoorden, wilden oprukken en hen verdelgen, en het plan werd aan genen bekend9);

10. en zij zonden tegen hen eenen enkelen veldheer en deden hun den oorlog aan, en velen van hen sneuvelden, en zij voerden hunne huisvrouwen en kinderen gevankelijk weg en plunderden hen uit en namen hun land in bezit en sloopten hunne muren en brachten hen in slavernij tot op dezen dag10).

11. En de overige rijken en eilanu üj n ooit nadden weerstaan, hadden zij verwoest en onderworpen11).

12. Maar met hunne bondgenooten en degenen, die op hen steunden, onderhielden zij vriendschap, en nabij- en verafgelegen rijken hadden zij bemachtigd, omdat allen, die hunnen naam hoorden, hen vreesden.

13. Maar degenen, die zij aan do regeering wilden helpen, regeerden, en die zij wilden, ontzetten zij van de regeering, en zij waren zeer hoog gestegen.

14. En bij dat alles droeg niemand een hoofdwrong of bekleedde zich met purper om zich daardoor groot te maken12).

aan Antiochus waren onderworpen geweest, dient hier wel «Joniërs en Mysiers» gelezen te worden, wier gewesten men inderdaad tot de schoonste landen van het rijk der Seleuciden kon rekenen; Mysië, Lydië en Phrygië werden inderdaad door de Romeinen aan Eumenes, hunnen bondgenoot, geschonken, indie was nooit in het bezit van Antiochus geweest en Medië lag te ver van Pergamus, het ten Westen van den iaurus gelegen rijk van Eumenes, om met diens rijk vereenigd te kunnen worden. Het door Judas ontvangen bericht was dus onjuist, indien daarin

n ^Indiërs en Meden sprake was. ) Hier worden waarschijnlijk de Beotiërs en Etoliërs bedoeld, die het

fov A5,tl0chus den Groote hielden. ) Tegen de Etoliërs voerde eerst de Consul Acflius Glabrio oorlog en na

hem Marcus Fulvius Nobilior. Intusschen deden de Romeinen hetg een verder hier gezegd wordt niet in dien oorlog, maar wel na den oorlog tegen het verbond der Achaïers, nL in 147—146 voor Christus, dus ongeveer 15 jaren na den dood van Judas. Dit gedeelte van het bericht werd dus niet door hem ontvangen, maar door den schrijver bfl het voorafgaande gevoegd om het verhaal volledig te maken tot op dezen dag, nl. waarop het boek geschreven werd.

") O. a. Sicilië. Sardinië en de eilanden van den Archipel.

") Daar de Romeinen te dien tijde den republikeinse hen regeeringsvorm hadden, was bij hen niemand, die den hoofdwrong of de kroon of het koninklijk purper droeg.

Sluiten