Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Dixit enim: Anticipemus facere pacem cum eo, priusquain faciat cum Alexandro adversum nos.

5. Recordabitur enim omnium malorum, qua? fecimus in eum, et in fratrem ejus, et in gentem ejus.

6. Et dedit ei potestatem congregandi exercitum', et fabricare arma, et esse ipsum socium ejus: et obsides, qui erant in arce, jussit tradi ei.

7. Et venit Jonathas in Jerusalem, et legit epistolas in auditu omnis populi, et eorum, qui in arce erant.

8. Et timuerunt timore magno, quoniam audierunt quod dedit ei rex potestatem congregandi exercitum.

9. Et traditi sunt Jonathae obsides, et reddidit eos parentibus suis:

10. Et habitavit Jonathas in Jerusalem, et coepit aedificare et innovare civitatem.

11. Et dixit facientibus opera ut exstruerent muros, et montem Sion in circuitu lapidibus quadratis ad munitionem: et ita fecerunt.

12. Et fugerunt alienigenae, qui erant in munitionibus, quas Bacchides aedificaverat:

13. Et reliquit unusquisque locum suum, et abiit in terram suam:

14. Tantum in Bethsura remanserunt aliqui ex his, qui reliquerant legem, et praecepta Dei: erat enim haec eis ad refugium.

15. Et audivit Alexander rex promissa, quae promisit Demetrius Jonathae : et narraverunt ei proelia, et

a) Voor de gijzelaars vgl. IX 53. 3) De Syriërs en hunne handlangers, die zich in den burcht bevonden. *) De muren der stad en de door

I. Want hij zeide: Haasten wij ons rooraf vrede met hem te maken, vooraleer hij dien tegen ons sluit net Alexander.

5. Want hij zal zich al de onheieh herinneren, die wij ten nadeele van hem en zijn broeder en zijn volk hebben aangericht. B. En hij verleende hem machtiging om een leger te verzamelen en wapenen te vervaardigen; ook zou hij zijn bondgenoot wezen, en hij gaf bevel, hem de gijzelaars uit te leveren, die in den burcht waren.

7. En Jonathas kwam te Jerusalem en las de brieven ten aanhooren van het gansche volk en van degenen, die zich op den burcht bevonden2).

8. En zij3) vreesden met grooten schrik, omdat zij hoorden, dat de koning hem machtigde tot het verzamelen van een leger.

9. En de gijzelaars werden aan Jonathas uitgeleverd, en hij zond ze naar hunne ouders terug.

10. En Jonathas woonde te Jerusalem, en hij begon de stad te bouwen en te hernieuwen.

II. En hij zeide aan de werklieden, dat zij de muren4) zouden opbouwen benevens den berg Sion rondom met gehouwen steenen, ter versterking; en zoo deden zij.

12. En de vreemdelingen, die zich in de sterkten bevonden, welke Bacchides gebouwd had5), gingen op de vlucht,

13. en ieder verliet zijne plaats en begaf zich naar zijn land.

14. Alleen te Bethsura bleven er eenigen van degenen, die de Wet en de geboden van God verlaten hadden; want deze plaats strekte hun tot toevluchtsoord.

15. En koning Alexander hoorde de beloften, die Demetrius aan Jo-

i nathas had toegezegd; en men ver-

Antiochus Eupator (vgl. VI 62) omvergehaalde muren rondpm den berg des tempels. ») Vgl. IX 50—52.

Sluiten