Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

virtutes, quas ipse fecit, et fratres ejus, et labores, quos laboraverunt.

16. Et ait: Numquid inveniemus aliquem virum talem? et nunc faciemus eum amicum, et socium nostrum.

17. Et scripsit epistolam, et misit ei secundum haec verba, dicens:

18. REX Alexander fratri Jonathas salutem

19. Audivimus de te quod vir potens sis viribus, et aptus es ut sis amicus noster:

20. Et nunc constituimus te hodie summum sacerdotem gentis tuae, et ut amicus voceris regis, (et misit ei purpuram, et coronam auream) et quae nostra sunt sentias nobiscum, et conserves amicitias ad nos.

21. Et induit se Jonathas stola sancta septimo mense, anno centesimo sexagesimo in die solemni scenopegiae: et congregavit exercitum, et fecit arma copiosa.

22. Et audivit Demetrius verba ista, et contristatus est nimis, et ait:

,'^JPjdens het opperpriesterschap van Omas III matigde zich Antiochus Epiphanes het recht aan, naar willekeur eenen opperpriester te erkennen of te benoemen, en zoo werden dan achtereenvolgens Jason (II Mach. IV 10), Menelaüs (II Mach. IV 27), Lysimachus (II Mach. IV 29) en Alcimus (I Mach. VII 5, 9) door hem en zijne opvolgers als zoodanig aangesteld. Na de vermoording van Onias III was zijn zoon naar Egypte gevlucht en had daar, naar het getuigenis van PI. Josephus, door het bouwen van eenen tempel de Wet overtreden. Nadat nu sedert den dood van Alcimus gedurende verscheiden jaren zelfs geen indringer meer hoogepriester geweest was, kon Jona-

haalde hem de gevechten en dappere daden, die deze bestaan had alsook zijne broeders, en de moeilijkheden, die zij verduurd hadden.

16. En hij zeide: Zullen wij wel zoodanig eenen man vinden ? Welnu, laten, wij hem tot onzen vriend en bondgenoot maken.'

17. En hij schreef eenen brief en zond hem dien met deze woorden zeggende:

18. Koning Alexander aan zijnen broeder Jonathas heil!

19. Wij hebben omtrent u vernomen, dat gij een man zijt sterk in krachten, en gij zijt geschikt om onze vriend te zijn.

20. En nu stellen wij u heden aan als hoogepriester van uw volk, en willen, dat gij vriend des konings genoemd wordt (en hij zond hem een purperen gewaad en een gouden kroon), en dat gij de gevoelens, die de onze zijn, met ons deelt en vriendschap met ons houdt6).

21. En Jonathas bekleedde zich met het heilig plechtgewaad in de zevende maand van het jaar honderd en zestig, op den feestdag der loofhutten, en hij verzamelde een leger en vervaardigde eenen overvloed van wapenen7).

22. En Demetrius hoorde die berichten, en hij werd uitermate bedroefd en zeide:

thas, die tot de eerste klas der priesters behoorde (vgl. I Mach. II 1), zich als hoogepriester bij erfrecht beschouwen. Door hem als zoodanig te benoemen én hem den eeretitel van vriend des konings, d. i. hooge en vertrouwde staatsdienaar, te geven, en hem de onderscheidingsteekens van een vorst, nl. een purperen gewaad en een gouden kroon, te zenden, wilde Alexander hem voor zijne belangen winnen.

7) Jonathas maakte van het loofhuttenfeest gebruik om voor het eerst plechtig en openbaar het opperpriesterschap uit te oefenen. Dit geschiedde in de maand September—October, 153 v. Chr.

Sluiten