Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et ex eis ordinabuntur qui sint in munitionibus regis magni:

37. Et ex his constituentur super negotia regni, qua? aguntur ex fide, et principes sint ex eis, et ambulent in legibus suis, sicut praecepit rex in terra Juda.

38. Et tres civitates, quae additse sunt Judaeae ex regione Samariae, cum Judaea reputentur: ut sint sub uno, et non obediant alii potestati, nisi summi sacerdotis:

39. Ptolemaida, et confines ejus, quas dedi donum sanctis, qui sunt in Jerusalem ad necessarios sumptus sanctorum.

40. Et ego do singulis annis quindecim millia siclorum argenti de rationibus regis, quae me contingunt:

41. Et omne, quod reliquum fuerit, quod non reddideïant qui super negotia erant annis prioribus, ex hoe dabunt in opera domus.

42. Et super haec quinque millia

siclorum argenti, quae accipiebant de sanctorum ratione per singulos

annos: et haec ad sacerdotes pertineant, qui ministerio funguntur.

") Demetrius wüde het als een voorrecht en een blijk van vertrouwen beschouwd zien, dat de Joden in zijne legers mochten dienen; daarbij had hij ongetwijfeld vooral zijn eigen veiligheid op het oog. Gr.: «de groote vestingen van den koning».

") Demetrius beloofde hiermede ook openbare ambten, zelfs hoogere, aan de Joden te verleenen, zonder dat zij daarom de Wet behoefden te overtreden. _,

") Vgl.. v. 30, noot 11 en XI 34.

") Ptolemaïs was in de handen van Alexander. dien de Israëlieten dus

zullen er aangewezen worden om zich in de vestingen van den grooten koning te bevinden1*). 37. En uit dezen zullen er aangesteld worden over de aangelegenheden des rijks, die in trouw behandeld worden, en de oversten zullen uit hen zijn, en zij mogen wandelen naar hunne wetten, zooals de koning het gelast heeft in het land Judais).

38. «Jok zuilen ae arie sieaen, uiw van het land Samaria aan Judea zq'n toegevoegd, bij Judea gerekend worden, opdat zij onder éénen man staan en aan geen andere macht onderworpen zijn dan aan die van den hoogepriester16).

39. Ptolemaïs en zijne aanhoorighedén heb ik ten geschenke gegeven aan het heiligdom, hetwelk zich te Jerusalem bevindt, voor d« noodzakelijke onkosten der heilige plaatsen17).

40. En ik, ik schenk elk jaar vnftien duizend zilveren sikkels uit de koninklijke inkomsten, die mij toekomen18).

41. En al het overige, .wat zij nog niet uitbetaald hebben, die over de aangelegenheden gesteld waren in de vorige jaren, zullen zq van nu af geven voor de werken des tempels19);

42. en daarenboven vijf duizend sikkels in zilver, die zij jaarlijks ontvingen uit het inkomen van net heiligdom; ook dat kome den priesters toe, welke den dienst verrichten»0).

| daaruit verdrijven moesten, wilden zij het bezetten.

") Andere koningen, zooals o. a. Seleucus Philopator (II Mach. III 3) en Antiochus Epiphanes (II Mach. IX 16) hadden zich ook reeds milddadig jegens den tempel getoond, en Demetrius wist, hoezeer dit den Joden aangenaam was.

»») Al het achterstallige van hetgeen vroeger toegezegd was, zal door de openbare ambtenaren aangezuiverd worden ten bate van den tempel.

**) Tot dusverre werd door de openbare ambtenaren jaarlijks een belasting

Sluiten