Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

accipere, et dedit illis: et ejecit eos inde, et cepit civitatem, et posuit in ea prsesidium.

67. Et Jonathas, et castra ejus applicuerunt ad aquam Genesar, et ante lucem vigilaverunt in campo Asor.

68. Et ecce castra alienigenarum occurrebant in campo, et tendebant ei insidias in montibus: ipse autem occurrit ex adverso.

69. Insidias vero exsurrexerunt de locis suis, et commiserunt prcelium.

70. Et fugerunt qui erant ex parte Jonathas omnes, et nemo relictus est ex eis, nisi Mathathias filius Absolomi, et Judas filius Chalphi, princeps militiae exercitus.

71. Et scidit Jonathas vestimenta sua, et posuit terram in capite suo, et oravit.

72. Et reversus est Jonathas ad eos in proelium, et convertit eos in fugam, et pugnaverunt.

73. Et viderunt qui fugiebant partis illius, et reversi sunt ad eum, et insequebantur cum eo omnes usque Cades ad castra sua, et pervenerun t usque illuc.

74. Et ceciderunt de alienigenis in die illa tria millia virorum: et reversus est Jonathas in Jerusalem.

**) Het meer van Genesar werd ook meer van Genesareth of wel zee van Galilea, Cenereth of Tiberias genoemd Asor lag in den stam Nephthali en was reeds ten tijde van Josuë een aanzienlijke stad. Zie Jos. XI 1.

**) Der huurlingen van Demetrius. Zie v. 38.

") Gr: in het meervoud «krijgsoversten».

") Gr.: «en zij vluchtten». De zin is niet, dat Jonathas en zijne twee metgezellen (v. 70) alleen het gansche

rechterhand te krijgen, en hij gaf ze hun, en hij deed hen er uittrekken en nam de stad in bezit en legde daarin een bezetting.

67. En Jonathas en zijn leger sloegen zich neder bij het meer Genesar, en vóór het daglicht waakten zij op in de vlakte van Asor38).

68. En zie, de legerbenden der vreemdelingen3*) rukten aan in de vlakte en legden hem een hinderlaag in het gebergte; hij echter rukte aan van de overzijde.

69. Zij nu, die in de hinderlaag waren, braken op uit hunne plaatsen en leverden slag.

70. En allen, die aan den kant van Jonathas waren, namen de vlucht, en niemand bleef van hen over tenzij Mathathias, zoon van Absolom, en Judas, zoon van Chalphi, krijgsoverste38) van het leger.

71. En Jonathas scheurde zijne kleederen en strooide aarde op zijn hoofd en bad.

72. En Jonathas keerde tot hen terug ten strijde en sloeg hen op de vlucht, en zij streden86).

73. En die van zijne partij, welke gevlucht waren, zagen het en keerden tot hem terug en zetten ze allen met hem na tot bij Cades naar hunne legerplaats, en zij drongen door tot daar.

74. En er vielen op dien dag drie duizend man van de vreemdelingen; en Jonathas keerde naar Jerusalem terug.

leger der vijanden op de vlucht dreven, maar dat de dapperheid van Jonathas en van die bij hem waren gebleven, vooreerst den vijand ter plaatse der hinderlaag, waar zij vochten, deed terugdeinzen, en dat de overige soldaten van Jonathas, die (v. 73) reeds geweken waren, door zijn voorbeeld en na zijn gebed opnieuw moed schepten, den strijd hervatten, hem hielpen de vijanden terugdrijven en ze tot luin hunne legerplaats nazetten.

Sluiten