Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34. Unde Menelaus accedens ad Andronicum, rogabat ut Oniam interficeret. Qui cum venisset ad Oniam, et datis dextris cum jurejurando (quamvis esset ei suspectus) suasisset de asylo procedere, statim eum peremit, non veritus justitiam.

35. Ob quam causam non solum Judaei, sed alias quoque nationes indignabantur, et moleste ferebant de nece tanti viri injusta.

86. Sed regressum regem de Ciliciae locis adierunt Judaei apud Antioohiam, simul et Graeci: conquereutes de iniqua nece Oniae.

37. Contristatus itaque animo Antiochus propter Oniam, et flexus ad misericordiam, lacrymas fudit, recordatus defuncti sobrietatem, et modestiam.

38. Accensisque animis Andronicum purpura exutum, per totam civitatem jubet circumduci: et in eodem loco, in quo in Oniam impietatem commiserat, sacrilegum vita privari, Domino illi condignam retribuente poenam.

39. Multis autem sacrilegiis in templo a Lysimacho commissis Menelai consilio, et divulgata fama, congregata est multitudo adversum Lysimachum multo jam auro exportato.

34. Weshalve Menelaüs zich naar Andronicus begaf en hem vroeg om Onias te dooden. Toen deze nu bij Onias gekomen was, en hij hem, nadat zij elkander de rechterhand gegeven hadden, onder eed (alhoewel hij hem verdacht was27), overgehaald had om de vrijplaats te verlaten, bracht hij hem oogenblikkelijk om het leven, zonder ontzag voor de rechtvaardigheid.

35. Weshalve niet alleen de Joden, maar ook de andere volken verontwaardigd waren en den onrechtvaardigen dood van zoo groot een man euvel opnamen.

36. Toen nu de koning uit de plaatsen van Cilicië teruggekomen was, begaven zich de Joden tot hem bij Antiochië te gelijk met de Grieken*8) en beklaagden zich over den wederrechtelijken doodslag van Onias.

37. Antiochus dan, zielsbedroefd om Onias en tot mededoogendheid bewogen, stortte tranen bij de herinnering aan de gematigdheid en bescheidenheid*9) van den overledene,

38. en in toorn ontstoken, beval hij Andronicus, van het purper beroofd, door de geheele stad rond te leiden en den heiligschenner op dezelfde plaats, waar hij de goddeloosheid tegen Onias begaan had, om het leven te brengen, zoodat de Heer hem de verdiende straf vergold.

39. Nadat dan vele heiligschennissen in den tempel door Lysimachus gepleegd waren op raad van Menelaus, en de mare80) zich verbreid had, verzamelde zich de menigte tegen Lysimachus, nadat reeds veel goud weggevoerd was.

als een voorstad van Antiochië; zij had eenen tempel van Apollo en Diana en was daarom een vrijplaats.

") Andronicus beloofde onder eed aan Onias, dat hem geen kwaad zou geschieden, waarop zij elkander de rechterhand gaven, tot teeken van vriendschap, alhoewel Andronicus bij

Onias verdacht was.

J8) Gr.: «de Joden, die in de stad (Antiochië) woonden, terwijl de Grieken mede het kwaad verafschuwden».

m) Gr.: «de goede zeden».

n) Namelijk van dien heiligschennenden roof. Voor Lysimachus zie v. 29.

Sluiten