Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40. Turbis autem insurgentibus, et animis ira repletis, Lysimachus armatis fere tribus millibus iniquis manibus uti ccepit, duce quodam tyranno, aetate pariter, et dementia provecto.

41. Sed, ut intellexerunt conatum Lysimachi, alii lapides, alii fustes validos arripuere: quidam vero cinerem in Lysimachum jecere.

42. Et multi quidem vulnerati, quidam autem et prostrati, omnes vero in fugam conversi sunt: ipsum etiam sacrilegum sëcus aerarium interfecerunt.

43. De his ergo ccepit judicium adversus Menelaum agitari.

44. Et cum venisset rex Tyrum, ad ipsum negotium detulerunt missi tres viri a senioribus.

45. Et cum superaretur Menelaus, promisit Ptolemaeo multas pecunias dare ad suadendum regi.

46. Itaque Ptolemaeus in quodam atrio positum quasi refrigerandi gratia, regem adiit, et deduxit a sententia:

47. Et Menelaum quidem universa? malitiae reum criminibus absolvit: miseros autem, qui, etiam si apud Scythas causam dixissent, innoccntes judicarentur, hos morte damnavit.

48. Cito ergo injustam poenam dederunt, qui pro civitate, et populo, et sacris vasis causam prosecuti sunt.

49. Quam ob rem Tyrii quoque

s') Om hem en zijne handlangers in den strijd te verblinden.

") Over de geweldenarijen en heiligschennissen.

40. Toen nu de scharen oproerig werden en de gemoederen in gramschap ontstoken waren, wapende Lysimachus ongeveer drie duizend man en begon wederrechtelijke daden te plegen onder aanvoering van een zeker geweldenaar, die evenzeer in jaren gevorderd was als in onzinnigheid.

41. Maar toen men het streven van Lysimachus bespeurde, grepen eenigen steenen, anderen dikke stokken, eenigen daarentegen wierpen asch81) op Lysimachus.

42. En zoo werden er velen gewond, eenigen zelfs neergeveld en allen op de vlucht gedreven; daarenboven bracht men den heiligschenner zelf bij de schatkamer om het leven.

43. Daarover32) begon men dan een rechtsgeding in te stellen tegen Menelaüs.

44. En toen de koning te Tyrus gekomen was, droegen drie mannen die door de oudsten waren afgevaardigd, de zaak bij hem voor.

45. En toen Menelaüs het zou verliezen, beloofde hij aan Ptolemeüs88), dat hij hem vele geldsommen zou geven om den koning over te halen.

46. Ptolemeüs begaf zich dan naar den koning, die zich in eene gaanderij bevond, als om zich te verfrisschen, en bracht hem van zijn besluit af.

47. En deze nu sprak Menelaüs, die aan alle boosheid schuldig was, van misdaden vrij; de ongelukkigen34) echter, die, indien zij zelfs bij de Scythen gepleit hadden, onschuldig zouden verklaard zijn, veroordeelde hij ter dood.

48. Onverwijld hebben dus diegenen een onrechtvaardige straf ondergaan, die voor de stad en het volk en de gewijde vaten een rechtsvervolging hadden ingesteld.

49. Om die reden waren ook de

M) Zie I Mach. III 38.

**) De drie mannen vernield in v. 44. De Scythen golden bij de Grieken en Romeinen als bij uitstek barbaarsch.

Sluiten