Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tem, ut in illa miseratione cum fratribus tuis te recipiam.

30. Cum hsec illa adhuc diceret, ait adolescens: Quem sustinetis? non obedio prsecepto regis, sed praecepto legis, quae data est nobis per Moysen.

31. Tu vero, qui inventor omnis malitiae factus es in Hebraeos, non effugies manum Dei.

32. Nos enim pro peccatis nostris haec patimur.

33. Et si nobis propter increpationem, et correptionem Dominus Deus noster modicum iratus est: sed iterum reconciliabitur servis suis.

34. Tu autem, o sceleste, et omnium hominum flagitiosissime, noli frustra extolli vanis spebus in servos ejus inflammatus.

35. Nondum enim omnipotentis Dei, et omnia inspicientis judicium effugisti.

36. Nam fratres mei, modico nunc dolore sustentato, sub testamento aeternae vitae effecti sunt: tu vero judicio Dei justas superbis» tu® poenas exsolves.

37. Ego autem, sicut et fratres mei, animam, et corpus meum trado pro patriis legibus: invocans Deum maturius genti nostrae propitium fieri, teque cum tormentis, et verberibus confiteri quod ipse est Deus solus.

38. In me vero, et in fratribus

broeders en aanvaard den dood, opdat ik in die barmhartigheid u met uwe broeders moge wedervinden16).

30. Terwijl zij dit nog zeide, sprak de jongeling: Op wien wacht gij ? Dc gehoorzaam niet aan het gebod des konings, maar aan het gebod der Wet, die ons gegeven is door Moses.

31. Maar gij, die tot een ontwerper van alle hoosheid tegen de Hebreen geworden zijt, gij zult Gods hand niet ontvluchten.

32. Immers wij, wij lijden dit om onze zonden.

33. En indien de Heer, onze God, ter bestraffing en kastijding een korten tijd op ons vertoornd is, toch zal hij zich weder met zijne dienstknechten verzoenen.

34. Maar gij, o boosaardige en misdadigste van alle menschen, verhef u niet vergeefs, dóór ijdele uitzichten ontvlamd tegen zijne dienaren17) ;

35. immers gij zijt aan het oordeel van den almachtigen en alzienden God nog niet ontsnapt.

36. Want mijne broeders zijn, nadat zij thans een geringe smart verduurd hebben, onder het verbond des eeuwigen levens gekomen18); maar gij, gij zult naar Gods oordeel rechtmatige straffen ondergaan voor uwen hoogmoed.

37. Ik daarentegen, evenals mijne broeders, geef mijne ziel en mijn lichaam prijs voor de voorvaderlijke wetten, terwijl ik God aanroep, dat Hij spoediger ons volk moge genadig worden en gij onder folteringen en geesels moogt belijden, dat Hij alleen God is.

38. Maar voor mij en mijne broe-

") Met grond hoopt de moeder, dat God het offer harer zonen en het hare heeft aangenomen en dat Hij in zijne bekende barmhartigheid hun allen tér vergelding het eeuwige leven zal schen-

ken- J A

") Gr.: «Verhef u niet zonder grond,

pochend wegens ijdele uitzichten, terwijl

gij de hand verheft tegen zijne diena-

rC»«)" Het voor dit leven met God gesloten verbond hebben zij trouw bewaard; daarom heeft God, tot hun loon, het verbondmet hen bekrachtigd, dat hun het eeuwige leven waarborgt.

Sluiten