Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbo mandavi et istis, et his, qui a ine missi sunt, colloqui vobiscum.

21. Bene valete. Anno centesimo quadragesimo octavo mensis Dioscori, die vigesima et quarta.

22. Regis autem epistola ista continebat: REX Antiochus Lysiae fratri salutem.

23. Patre nostro inter deos translato, nos volentes eos, qui sunt in regno nostro sine tumultu agere, et rebus suis adhibere diligentiam,

24. Audivimus Judseos non consensisse patri meo ut transferrentur ad ritum Grsecorum, sed tenere veile suum institutum, ac propterea postulare a nobis concedi sibi legitima sua.

25. Volentes igitur hanc quoque gentem quietam esse, statuentes judicavimus, templum restitui illis, ut agerent secundum suorum majorum consuetudinem.

26. Bene igitur feceris, si miseris

*) Aan genen, d. i. aan Joannes en Abesalom fv. 17).

") Het jaar 148 van II Mach. viel naar alle waarschijnlijkheid gedeeltelijk samen met het jaar 149 van I Mach. VI 16, of 164—163 vóór Christus, het sterfjaar van Antiochus Epiphanes. De maand Dioscorus wordt nergens als Syrische naam eener maand vermeld. Het Gr. heeft: «Dios Corinthiou». Sómmigen meenen, dat daardoor de maand «Dios» bedoeld wordt, die bij de Macedoniërs beantwoordt aan onze maand November; anderen zien Dioscorus aan voor eenen naam, waardoor de Cretensers de maand aanduidden, die bij de Macedoniërs «Dystrus» genoemd werd en beantwoorde aan Februari—Maart. Dit laatste komt vrij goed overeen met de dagteekening van den in v. 27—33 vermelden brief, die in Maart—April 164—163 geschreven werd.

*) Daar Antiochus Eupator destijds

ik één voor één mondelings opdracht gegeven zoowel aan genen7) als aan degenen, die door mij gezonden zijn om met u een bespreking te hebben.

21. Vaart wel! In het jaar honderd acht en veertig, den vier en twintigsten dag der maand Dioscorus8).

22. De brief van den koning daarentegen behelsde het volgende: Koning Antiochus aan Lysias, zijnen broeder, heil9)!

23. Nadat onze vader onder de goden is overgeplaatst10), hebben wij, willende, dat degenen, die zich in ons rijk bevinden, zonder onrust leven en hunne zaken behartigen,

24. gehoord, dat de Joden met mijnen vader niet hebben ingestemd om tot de levenswijze der Grieken te worden gebracht, maar dat zij hunne inzetting willen behouden, en ons daarom vragen, dat hun hunne wettelijke instellingen bewilligd worden.

25. Derhalve willende, dat ook dit volk rustig zij, hebben wij vastgesteld en beslist, dat de tempel hun worde teruggegeven, opdat zij handelen naar de gewoonte hunner voorouders11).

26. Gij zult dus goed doen, indien

nog een kind was, droeg deze brief ongetwijfeld slechts zijne handteekening; Lysias was een bloedverwant van Antiochus, die hem daarom den eeretitel van broeder geeft. Vgl. I Mach.

X 18- . , • u v,

Antiochus Epiphanes had zioh bq

zijn leven reeds onder de goden geplaatst; ér bestaan althans munten, waarop hij God genoemd wordt. Mogelijk werd hij ook na zijnen dood nóg als zoodanig beschouwd. Niets belet intusschen hier enkel een uitdrukking van den eerbied te zien, dien Antiochus Eupator aan de nagedachtenis zijns vaders wödde. .

") Daar de Joden reeds in het bezit van den tempel waren, lag in het teruggeven eene erkenning der rechtsgeldigheid van dat bent, hetwelk tot dusverre van den kaut der Syriërs nog niet voor rechtmatig werd gehouden.

Sluiten